Go to content Go to navigation Go to search

Een Koninkrijk van oordeel en liefde · 957 dagen geleden by Ad van den Ende

Het komende oordeel

De historische Jezus verkondigde de komst van het Koninkrijk op een niet zachtzinnige wijze. Deze komst zou gepaard gaan met een zeer hard oordeel.
Jezus neemt het ‘koninkrijk van God’ zeer vaak in de mond. Dit Koninkrijk stond bij hem centraal. Bij Marcus lezen we:
“14  Nadat Johannes gevangen was genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde het goede nieuws van God. 15 Hij zei: “Het beslissend moment is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij gekomen; kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.”
(Marcus 1:14-15)

Bij de komst van het koninkrijk zou alles rechtgezet worden wat verkeerd was. Dat was inderdaad ‘goed nieuws’. In het Onze Vader leert Jezus zijn leerlingen bidden om de komst van dit rijk: ‘Onze Vader, die in de hemel is, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome.’

Het koninkrijk van God zou alles wegdoen wat verkeerd was, dus deze komst zou ook Gods oordeel over het kwaad met zich meebrengen. Professor Dale C. Allison, een toonaangevende bijbelwetenschapper, heeft een lijst samengesteld van eenendertig passages die weergeven hoe Jezus over dit onderwerp denkt:
“-hij sprak diverse malen wee uit tegen de Farizeeën en schriftgeleerden vanwege hun geobsedeerdheid met pietluttigheden en verwaarlozing van barmhartigheid en gerechtigheid
-hij zei dat de kansen ingrijpend zouden keren voor de rijken die de armen onderdrukten
-hij zie met nadruk dat mensen die anderen (ver)oordelen zelf ver/geoordeeld zouden worden door God
-hij waarschuwde voor het wenen en knarsetanden van hen die het koninkrijk van God als een geboorterecht beschouwden
-hij profeteerde dat de tempel in Jerusalem, het tastbare teken van Gods aanwezigheid in de wereld, binnen korte tijd vernietigd zou worden
-hij zei zelfs dat steden in zijn eigen streek Galilea een lot zouden ondergaan dat erger was dan dat van het spreekwoordelijke Sodom als ze weigerden om zijn waarschuwing in acht te nemen.”

Veel mensen hadden zich natuurlijk bekeerd op de prediking van Johannes, en nog meer mensen zouden zich bekeren op de prediking van Jezus, maar Jezus geloofde dat Israël op nationaal niveau afvallig was geworden. Het uitverkoren volk had hun God verworpen, nu zou God zijn volk verwerpen. Dat lezen we bij Marcus, Matteus en Lucas in de gelijkenis van de wijngaard.

“33  Hoort een andere gelijkenis. Er was een huisheer die een wijngaard aanlegde, er een omheining omheen aanbracht, er een wijnkuip in groef en een uitkijktoren bouwde. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers en ging op reis. 34  Toen de tijd van de oogst was gekomen stuurde hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. 35  En toen de wijnbouwers zijn dienaren gevangen hadden sloegen zij de een, doodden zij de ander, en wierpen zij stenen naar weer een ander.

36  Opnieuw stuurde hij dienaren, anderen, meer dan de eersten, en zij deden hun hetzelfde.
37  Als laatste stuurde hij naar hen zijn eigen zoon, zeggend: Mijn zoon zullen zij geen kwaad durven doen.
38  Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen zeiden zij tegen elkaar:
Hij is de erfgenaam; kom, laten we hem doden, dan zullen wij zijn erfdeel hebben.
39 En zij pakten hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
40  Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die wijnbouwers doen?
41  Zij zeggen hem: Op een vreselijke manier zal hij hen doden, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die hem te juister tijd de vruchten zullen geven.”
(Matteus 21:33-41)

Liefde in tweevoud

“Jezus onderricht over de liefde wordt wijd en zijd beschouwd als een van de, historisch gezien, meest betrouwbare stukjes informatie die we over hem hebben. (…) Jezus vatte Gods wil samen met het dubbele gebod om God en je naaste lief te hebben.” (Dickson)

Bij Marcus lezen we:

28  Een van de schriftgeleerden, die geluisterd had terwijl zij discussieerden, kwam naar voren.
Toen hij gemerkt had dat Jezus hun goed had geantwoord vroeg hij hem: “Welke is het eerste van alle geboden?”
29  Jezus antwoordde wat het eerste is. “Luister, Israël, de Heer onze God is de enige Heer, 30  en u zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. 31 Het tweede is: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan die, is er niet.”

32  En de schriftgeleerde zei hem: “Heel goed, meester, naar waarheid zei u dat er één is, en is er geen ander dan hij, 33  en het hem liefhebben met heel het hart en met heel het inzicht en met alle kracht, en het je naaste liefhebben als jezelf is veel belangrijker dan alle brandoffers en andere offers.”

34  En Jezus, merkend dat hij verstandig antwoordde, zei hem: “Niet ver bent u van het koninkrijk.”
En niemand waagde het nog hem een vraag te stellen.

Heb je vijanden lief!

‘Je naaste liefhebben als jezelf’ was een oudtestamentisch gebod, maar dit werd geïnterpreteerd als een verwijzing naar de Joodse naaste. Maar bij Jezus kreeg dit gebod een radicale betekenis. Men moest zelfs zondaars en vijanden liefhebben!

Een wetgeleerde vroeg Jezus eens: ‘Wie is mijn naaste?’
Men dient bij deze parabel te bedenken dat Samaritanen door de Joden met de nek werden aangekeken.
(Lucas 10:30-37)
30 Jezus nam het woord en zei: ‘Een zekere man daalde af van Jeruzalem naar Jericho
en werd door rovers overvallen, die, na hem te hebben uitgekleed en hem klappen te hebben gegeven, weggingen, hem halfdood achterlatend.
31 Toevallig daalde er een priester af langs die weg, en, hem gezien hebbend, ging hij met een boog om hem heen.

32 Ook een Leviet, die langs dezelfde weg ging, zag hem en ging met een boog langs hem heen.
33 Maar een Samaritaan, die op reis was, kwam langs hem en toen hij hem zag kreeg hij medelijden, 34 en, naar hem toegegaan, verbond hij zijn wonden en goot er olie en wijn over; na hem op zijn eigen rijdier getild te hebben bracht hij hem naar een herberg en zorgde hij voor hem.

35 En de volgende morgen haalde hij zijn geldbuidel tevoorschijn, gaf twee denarien aan de herbergier en zei: “Zorg voor hem, en wat u eventueel méér zult besteden zal ik, bij het terugkeren, aan u betalen.”

Rembrandt

36 Wie van die drie denk je dat de naaste geweest is van degene die in de handen viel van de rovers?’
37 Hij zei: ‘Hij die medelijden met hem toonde.’
Jezus antwoordde hem: ‘Ga heen, en doet u evenzo.’
(Marcus 12:28-34)

Over het liefhebben van de vijand lezen we bij Lucas:

27  Tegen jullie, die naar mij luisteren, zeg ik, heb je vijanden lief, 28  zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29  Als iemand jullie op de wang slaat, keer hem dan ook de andere toe. En als iemand je bovenkleed afneemt, weiger hem dn ook het onderkleed niet.
30  Geef aan iemand die je iets vraagt, en als iemand je het jouwe afneemt, eis het dan niet terug.

31 En zo als jullie willen dat mensen jullie behandelen, behandel hen ook zo.
32  En als jullie liefhebben wie jullie liefhebben, welke verdienste is dat voor jullie? Want ook de zondaars hebben degenen die hen liefhebben lief.
33  En als jullie goed doen aan degenen die jullie goed doen, welke verdienste is dat voor jullie? De zondaars doen hetzelfde!
34  En als jullie geld lenen aan hen van wie jullie geld hopen terug te ontvangen, welke verdienste is dat voor jullie? Ook zondaars lenen geld aan zondaars opdat zij hetzelfde terug ontvangen.

35  Nee, heb je vijanden lief en doe goed en leen geld zonder iets terug te verwachten, en jullie loon zal groot zijn, en jullie zullen zonen zijn van de allerhoogste, want die is zelf ook goed voor de ondankbaren en kwaadwilligen.
36  Wees barmhartig zoals ook jullie Vader barmhartig is.
(Lucas 6:27-36)

Over barmhartigheid vertelt Jezus de parabel van de ‘Verloren Zoon’.

(Lucas 15:11-32)
11 Hij zei: ‘Een zekere man had twee zoons. 12 En de jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het mij toekomende deel van het bezit.”
Hij verdeelde onder hen het bezit.

13 En na niet veel dagen later alles bijeengepakt te hebben ging de jongste zoon op reis naar een ver land, en daar verbraste hij zijn bezit door erop los te leven.

14 Toen hij alles verkwist had ontstond er een ernstige hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. 15 En hij ging op pad en stelde zich in dienst van één van de inwoners van dat gebied, en die stuurde hem naar zijn landerijen om varkens te hoeden. 16 En hij verlangde er naar zich te voeden met de schillen die de varkens aten, maar niemand gaf ze hem.

17 Tot zichzelf gekomen zei hij: “Hoeveel arbeiders van mijn vader hebben geen overvloed aan eten, en ik kom op deze manier om van de honger. 18 Ik ga weg en zal naar mijn vader gaan en zal hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19 ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Maak me tot een van uw knechten.” 20 En hij ging op weg en kwam bij zijn vader aan.

Toen hij nog ver weg was zag zijn vader hem, en hij kreeg medelijden, en snel naar hem toe lopend viel hij hem om de hals en kuste hij hem.
21 Zijn zoon zei hem: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben niet meer waardig om uw zoon genoemd te worden.”

22 Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal snel het mooiste kleed en trek hem dat aan, en geef hem een ring aan zijn hand, en sandalen aan zijn voeten, 23 en breng het vetgemeste kalf, slacht het en laten we, al etend, feestvieren, 24 want deze zoon van me was dood en is weer levend, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.


Rembrandt

25 Zijn oudste zoon was op het land. En toen hij terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dansen, 26 en toen hij een van de knechts naar zich toe riep vroeg hij wat dat allemaal was.


Rembrandt

27 Deze antwoordde: “Uw broer is teruggekomen, en uw vader slachtte het gemeste kalf, omdat hij hem gezond terug kreeg.”

28 De oudste zoon werd woedend en wilde niet naar binnen gaan. Maar zijn vader kwam naar buiten en drong bij hem aan om binnen te komen.
29 Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: “Kijk, al zoveel jaren dien ik u, en nooit heb ik een gebod van u overtreden, en mij gaf u nooit een bok opdat ik met mijn vrienden feest kon vieren.

30 Maar nu deze zoon van u, die uw bezit verbrast heeft met hoeren, terug kwam, slachtte u voor hem het vetgemeste kalf!”

31 Maar hij zei hem: “Kind, jij bent altijd bij me, en al het mijne is het jouwe. 32 We moeten feestvieren en blij zijn want die broer van jou was dood en is weer levend, hij was verloren en is teruggevonden.”

Rodney Stark, professor in de sociale wetenschappen, iemand zonder religieuze binding, beschouwt deze geradicaliseerde liefdesethiek als de sleutel tot het succes van het christelijke geloof in de eerste drie eeuwen. “Bij het afronden van deze studie vind ik het daarom nodig om in te gaan op wat mij de ultieme factor in de opkomst van het christendom lijkt te zijn…. De eenvoudige woorden… ‘Want alzo lief had God de wereld….’ zouden een goed opgeleide heiden in verwarring hebben gebracht. En de gedachte dat het de goden iets kan schelen hoe we elkaar behandelen zou worden weggewuifd als volslagen absurd…. Dit was het morele klimaat waarin het christelijke geloof leerde dat genade een van de grootste deugden is, dat een barmhartige God eist dat mensen ook barmhartig zijn…. Dat was nog eens revolutionaire kost. Het was zelfs de culturele basis voor de opleving van de Romeinse wereld die zuchtte onder een hele reeks problemen.”

Volgende
Terug