Go to content Go to navigation Go to search

Leven en werk van André Chastel · 2713 dagen geleden by Ad van den Ende

André Chastel werd 15 november 1912 in Parijs geboren, en overleed 18 juli 1990 in Neuilly-sur-Seine. Hij was een van de markantste kunsthistorici uit de tweede helft van de 20e eeuw. Hij heeft talrijke werken op zijn naam staan ‘waarin een grote eruditie en wijde blik zich paren aan een zorgvuldige en gevoelige wijze van beschrijven’. Hij heeft zich ook zeer verdienstelijk gemaakt voor de ontwikkeling van de discipline kunstgeschiedenis in Frankrijk.

Geïnspireerd door het werk van Henri Focillon kiest hij voor het vak kunstgeschiedenis. Wanneer hij na de oorlog uit gevangenschap terugkeert wordt hij belast met de inventarisatie van de werken van het atelier Vuillard. Hij beschrijft dit in zijn eerste boek (1946). Dit onderzoek moedigde hem aan regelmatige bezoeken te brengen aan schilders van zijn tijd, zoals André Masson en Zao Wou ki. Hij werd met hen bevriend. ‘De intieme vertrouwdheid met het ‘vak’ van de schilders werd zelfs een toetssteen in zijn begrip van het verleden, en zette hem met name aan, in zijn analyse van de Renaissance, om aandacht te besteden aan wat hij graag de ‘cultuur van de ateliers’ noemde.’

Hij werd al jong verliefd op Italië; de studie van de renaissance had zijn leven lang zijn grote voorkeur.
Hij had een brede kijk op de kunstgeschiedenis. Hij was het eens met Burckhardt dat kunstvoorwerpen tot de meest onthullende getuigen van een beschaving gerekend moeten worden.

In 1950 schrijft hij een proefschrift over de samenhang tussen de neoplatonische stroming in Italië en de artistieke scheppingen daar aan het einde van de 15e eeuw.

In 1959 schrijft hij ‘Kunst en humanisme in Florence ten tijde van Lorenzo il Magnifico’. Samen met Robert Klein schrijft hij ‘Het Europa van de Renaissance, het tijdperk van het humanisme’ (1963).
Het Italië van de 15e en 16e eeuw blijft hem boeien (1965: Het grote atelier; De zuidelijke Renaissance; 1968: De crisis van de Renaissance; 1969: De mythe van de Renaissance). Dat hij ook op andere terreinen grote belangstelling heeft blijkt uit ‘Fabels, vormen, figuren’ (1978)

‘Het laatste grote werk waar Chastel zich aan wijdde zou uitgroeien tot een groot handboek: De Franse kunst

‘Het is in feite het vermogen om te ontroeren van de kunstwerken, hun bijzondere, zelfs mysterieuze aantrekkingskracht (…) waarin Chastel vanaf zijn eerste studies geïnteresseerd was ….’ Chastel was niet iemand die koel met een ontleedmes de kunst ontrafelde. Hij slaagde er in om in zijn werk zijn enthousiasme te laten blijken voor alles dat er in de voorbije eeuwen aan kunst is voortgebracht.

Volgende
Terug

reageer