Go to content Go to navigation Go to search

Pasen 1971 · 3383 dagen geleden by Ad van den Ende

Beste Theo,

De vorige keer heb ik je geschreven dat we van Malaga – in Spanje – overgestoken zijn naar Melilla – in Noord Afrika -. Je vraagt je misschien af waarom we niet doorgereden zijn naar Algeciras, en vandaar de boot hebben genomen naar Tanger of Ceuta. Dat komt omdat we in Malaga een Duitser ontmoet hebben, die juist een maand in de Sahara had rondgezworven. Hij vertelde dat de weg tussen Tanger en Melilla niet berijdbaar was vanwege de sneeuw. Die weg loopt namelijk over een hoog gebergte heen. Door rechtstreeks naar Melilla te varen konden we dat stuk omzeilen. Dus hebben we dat gedaan. In Malaga ontmoetten we ook kennissen van pater Schotten, die op de film vastlegden hoe we precies op tijd de boot haalden. Vlak achter ons haalden ze de loopplank op.

Na acht uur varen, met dolfijnen om ons heen, bereikten we ‘s avonds tegen zonsondergang Melilla. Het is een prachtige stad, met parken vol palmbomen, eucalyptusbomen en ik-weet-niet-wat-voor-bomen. De straten waren vol mensen die op terrasjes zaten of zomaar wat rondslenterden. Er was een lange, schitterend verlichte hoofdstraat. Hij voerde omhoog naar een gebouw, waarop in grote neonletters stond: “PHILIPS”. We voelden ons meteen thuis.

Toch moesten we de volgende morgen verder. Eerst langs de Marokkaanse douane – Melilla zelf is een Spaanse stad -, en daarna over uitgestrekte asfaltwegen Marokko in.

Af en toe kwamen we langs een dorp: witte, lage huizen, met daar boven uit de koepel van een moskee en de spitse toren van een minaret. Verder onafzienbare vlakten met soms wat heuvels en wat verweerde rotsen – de brandende zon overdag en de sterke afkoeling ‘s nachts maken dat op de duur elke berg in een hoop puin uiteenvalt -.

Nu en dan zagen we een paar herders – vaak kinderen – met kudden schapen en geiten. Langs de weg ontmoetten we soms gesluierde vrouwen en kinderen met enorme takkenbossen op hun rug. Soms midden op een verlaten weg ineens een jongetje dat groenten aanbood, of bloemen. Bloemen zagen we trouwens veel; soms hele vlakten die met bloemen bedekt waren. We hadden geluk, want het voorjaar is wel de mooiste tijd om door Marokko te rijden. Terwijl we in Oujda stonden te picnicken stopte een auto bij ons met Marokkanen er in. Een ervan werkte in Nederland, en kwam even een praatje maken, en informeren of we geen panne hadden. Hij wist ons te vertellen dat het in Figuig – de grensplaats waarlangs we naar Algerije wilden – erg warm was. Maar dat bleek mee te vallen; misschien omdat we pas tegen de avond in Figuig arriveerden.

De politiechef was erg voorkomend, en de burgemeester, die er bij gehaald werd om onze papieren te controleren, ook. We moesten hem helaas teleurstellen toen hij bij het afscheid informeerde of we misschien niet wat wijn hadden; in alle woestijnplaatsen is het namelijk onmogelijk om aan sterke drank te komen. Die wordt alleen geschonken in hotels voor de vreemdelingen.

Het was intussen ‘n uur of acht geworden, dus aardedonker. De weg was opgehouden. Via allerlei zandpaadjes raakten we verdwaald in een oase, tot wat jongens ons de goede weg wezen naar Beni-Ounif, de grensplaats aan de Algerijnse kant.

Eerst zagen we een hele tijd niets, toen een zaklantaam-lichtje, en een slagboom. De politieagent erachter was nog een jong kereltje. Het was voor hem kennelijk “de eerste nacht”, of het was jaren geleden dat daar buitenlanders langs gekomen waren. Hij begon met te informeren of we een visum nodig hadden. Aangezien we er geen hadden, trachtten we hem ervan te overtuigen dat dat ook niet nodig was. Hij geloofde ons maar half. Na enige moeilijkheden in verband met het spellen van onze namen, mochten we dan door naar het dorp, met de opdracht ons daar bij de politiechef te melden, en met het verzoek een
collega naar hem toe te sturen; waarschijnlijk om nadere instructies te krijgen voor het geval er nog meer vreemdelingen over de grens kwamen.

In het dorp ontmoetten we eerst enige gendarmen, aan wie we het laatste verzoek doorgaven. Helemaal fout, bleek later. De gendarmen zijn hier heel iets anders dan politie. Ze verwezen ons naar de douane, maar die was niet thuis. We zijn toen maar voor zijn deur ons potje gaan koken. Na een tijdje kwam hij inderdaad opdagen. Hij vroeg ons de volgende – Zondag – morgen terug te komen. Dat was geen bezwaar, want we wilden ‘s nachts toch in Beni-Ounif blijven. Toen we nog een ommetje maakten door het dorp kwamen we ineens de grens-agent tegen, zwaar in paniek. We moesten onmiddellijk mee naar de chef. Die zag het echter ook allemaal niet zo zwaar, en wat hem betreft hadden we rustig de volgende morgen kunnen komen. Omdat we er toch waren, maakte hij gelijk maar onze papieren in orde. De volgende dag deed de douane dat ook -je moetje hier altijd én bij de politie én bij de douane melden, soms ook nog bij de “Daira” of Prefectuur – en toen konden we weer verder, richting Béchar.

De weg was weer goed, en liep door een steppe-achtig landschap, waar we de eerste kamelen zagen. Béchar was de eerste plaats in Algerije waar we wat langer zijn gebleven. Dat moesten we wel, omdat we geld wilden wisselen, en een verzekering sluiten; dat kon niet op die dag, het was Zondag. Maar we hadden er geen spijt van. Het is een mooie stad, met veel palmen – het lijkt op een oase -, en mensen in allerlei klederdrachten: veel negers in bonte kleuren, en Berbers met lange hoofdbanden. Waarschijnlijk vanwege Pasen werden er ook grote feesten georganiseerd; er was een kermis, – compleet met botsautootjes -, er was een jaarmarkt waar ze van alles verkochten – tot platen van de Cats toe -; er was een wielerronde – ik had jammer genoeg mijn fiets niet bij me -, én er waren schijngevechten. Die werden gehouden op een groot veld, met de halve bevolking van Béchar er om heen. Een groep ruiters – Berbers – van ‘n man of tien, vijftien, stelde zich aan één kant van het veld op, racete dan met enorme snelheid naar de andere kant – waar de gesluierde vrouwen zaten -, gooiden ‘n paar keer hun geweer in de lucht, en vlak voor ze de overkant bereikten, schoten ze tegelijk hun geweer af; tenminste, dat was de bedoeling. Meestal konden een paar het tempo niet bijhouden, zodat de hele formatie uiteen viel. Dan moest je de vrouwen eens horen! Langs de kant gaven allerlei zangers, fluitisten, trommelaars en zelfs vertellers een uitvoering. Ik was natuurlijk druk aan het fotograferen. Dat is min of meer verboden, vanwege de Mohammedaanse godsdienst. Dus je snapt dat ik me niet erg happy voelde toen zo’n groep ineens om me heen kwam dansen. Het bleek dat het alleen om geld ging, dus ik gaf ze iets; veel te veel natuurlijk. Ze trokken tenminste enthousiast weer verder. Terwijl ik dit zit te schrijven – op een terrasje in Taman Rasset – geeft een groep Touaregs ook zo’n uitvoering, met trommels en geweren. Horen en zien vergaat je. Daarover een volgende keer. Tot dan. Hartelijke groeten, oom Ad.

Volgende
Terug

reageer