Go to content Go to navigation Go to search

Naar Bamenda · 3889 dagen geleden by Ad van den Ende

Om 5 uur a.m. waren Douala’s brede koloniale straten donker, stil en zeer warm. Na ongeveer een mijl gelopen te hebben waren we doornat van het zweet. Volgens Bernards huisboy vertrokken de bushtaxi’s naar Bamenda bij dageraad vanaf het station. Hij had zich echter vergist, en iemand adviseerde ons een gezamenlijke taxi te nemen naar een ander “wagenpark” vier mijl daarvandaan. We namen een taxi samen met twee magere mannen, drie dikke vrouwen en vijf door elkaar krioelende kinderen.

Toen de zon opkwam stonden we verloren tussen rijen bussen en bushtaxi’s. Toen een aardige jonge man in een donker colbertcostuum ons naar de standplaats voor Bamenda hoorde vragen, legde hij ons uit dat je alleen naar Bamenda kon vanaf het Kameroen Hotel, een aantal mijlen verder op.

We deelden de volgende taxi met een jonge soldaat, met standplaats Bamenda, die verschrikkelijk nieuwsgierig was. “Waarom gaat u lopen door de rimboe. Erg vreemd! Welke reden heeft u daarvoor? Betaalt uw regering u hiervoor? Heeft u ook nog in andere plaatsen gelopen?”
Ik legde uit dat ik op veel plaatsen loop, en er dan boeken over schrijf.
“Aha!” zei de soldaat. “Dus het is een gewoonte geworden!”

Het Kameroen hotel maakte een zeer “ongeclassificeerde” indruk. Op een stuk braakliggend terrein ernaast was het druk en op een prettige manier chaotisch. Een mooi wit minibusje, met “Bamenda” op de voorruit, zou vertrekken als het vol was, en hij was al voor de helft volgeboekt. De chauffeur-annex-kaartjesverkoper -groot, dik, grijs haar – behandelde alle vrouwen met grote minachting. Toen ik de ritprijs voor ons beiden betaald had – 4.000 CFA (bijna £ 9 ) ieder – vroeg hij onze paspoorten en ging er toen mee vandoor.

Onmiddellijk voelde ik mij van binnen gespannen worden: de instinctieve reactie van iedere reiziger wanneer hij vitale documenten, al is het maar voor even, uit het oog verliest. Niemand had ons gewaarschuwd dat alle passagiers van een bushtaxi identiteitspapieren of paspoorten moesten overhandigen wanneer ze kaartjes kopen; de gegevens worden op een lijst geschreven die de chauffeurs moeten laten zien bij de talrijke politiecontroles. Kennelijk viel mijn bezorgdheid op; een slanke jongeman, met de kentekenen van zijn stam in zijn jukbenen gekerfd, kwam naar mij toe om mij de hand te schudden. “Maakt u zich geen zorgen”, zei hij op geruststellende toon, “dat is nu eenmaal de gewoonte hier. U krijgt uw paspoorten zeker terug, tegelijk met de kaartjes.” En dat gebeurde inderdaad – vijftig minuten later.

Het openbaar vervoer in Kameroen is goed geregeld. In iedere auto hangen bordjes met daarop de officiële ritprijs – zoveel CFA per kilometer – en zelfs vreemdelingen laat men niet teveel betalen. Het komt wel voor dat men te weinig betaalt, als passagiers bekenden zijn van de chauffeur, en alle geüniformeerde staatsdienaren hebben vrij reizen op de beste plaatsen – voorin -. De kosten voor bagage zijn verschillend. In die minibus betaalden we 1.000 CFA (£ 2,25) voor beide rugzakken. Wanneer we er niet voor hadden betaald hadden we geen ontvangstbewijs gekregen.

Rachel keerde mopperend terug van een ontbijtjacht. “Geen chai-khana (theehuis) gezien!” klaagde ze. Maar even later verscheen er een mobiele chai-khana – een haveloze kerel op blote voeten die twee emmers droeg. In de ene zat water waardoor je de bodem niet zag, in de andere stond een grote ketel met verschillende kommen.

“Leverontsteking krijg je maar één keer”, zei Rachel om mijn geheugen op te frissen. – Dat was ons virussouvenir van Madagascar. – We dachten maar niet aan de andere mogelijkheden die de emmer zou kunnen bevatten, en toen er twee kommen onder krachtig schudden omgespoeld waren werden zij gevuld met geurige kruidenthee, kokend heet en met heel veel suiker.

Toen kwam er een bakkerskar aangereden, voortgeduwd door een stevige jongen die zijn waren schreeuwend in het Pidgin aanprees. Wij vonden zijn prijzen verschrikkelijk hoog, maar even later omklemde iedere kleine vuist om ons heen een taai broodje of een dito oliebol. We deden duur door twee stokbroden te kopen en ik toverde uit een sok zes driehoekjes tevoorschijn met opgespaarde Aeroflot quark.
“Hoe komt het dat ons ontbijt in een sok zit?” voeg Rachel.
“Om de eenvoudige reden dat ik het de hele ochtend voorzichtig als handbagage bij me heb gehouden.” legde ik uit. “In een rugzak had het platgedrukt kunnen worden.”
“Je wordt ook met de dag gekker!” vond Rachel.

Onze veldflessen hadden we nog niet gevuld, omdat we een paardevracht uitrusting tussen ons in droegen, en het voelde al aan of we geen druppel water meer in ons lichaam hadden. Tegenover het wagenpark strekte zich een hele serie gammele gesloten stalletjes uit, maar er viel – heel ongebruikelijk – geen bar te bekennen. Planken vol dure flessen drinkwater beloofden uitkomst te bieden, tot ik iets verdachts opmerkte: de etiketten zagen er vuil uit, en het water niet minder. Terwijl ik wegliep, kreeg ik een kleine jongen in het oog die een krat volle flessen van zijn hoofd tilde die hij op de planken zette om meteen daarna te verdwijnen met een krat lege flessen. Ik liep hem achterna. Even verder om de hoek vulde hij de lege flessen uit een tank langs de kant van de weg met onfris water, en deed er toen handig de metalen doppen weer op.

Zelfs onder die vrij kleine groep mensen die op vervoer wachtten maakte de verscheidenheid aan typen het oppervlakkige beeld dat wij, Europeanen, van zwarte Afrikanen hebben – “primitieven” over wie je hooghartig algemeenheden mag verkopen – al meteen belachelijk en beledigend. Toen ik de verschillende gelaatstrekken, huidtinten, lichaamsbouw, haardracht, talen, gewaden, gebaren, sieraden, houdingen en stamkenmerken opmerkte, voelde ik me bijna geïntimideerd door deze verscheidenheid. Op technisch gebied mag Zwart Afrika dan primitief zijn, toen al voelde ik om mij heen dat de dingen ingewikkelder waren, en meer vraagtekens opriepen dan ik als buitenstaander ooit zou kunnen vatten.

Het was duidelijk dat niemand er zelfs een begin mee kon maken om Kameroen in drie maanden – of misschien zelfs in drie decennia – te begrijpen. Wanneer je in Azië gaat reizen is het mogelijk je enigszins op de hoogte te stellen van de landen die je wilt bezoeken, door vertalingen van hun literatuur – een voorbereiding die voor Afrika onmogelijk is. Misschien is dat de reden dat Kameroen op mij onmetelijk mysterieuzer overkwam dan het “Mysterieuze Oosten”.

Eindelijk begonnen ze te laden. Een behendige jonge man sprong op het dak van de minibus en een gespierde collega wierp hem zes zakken maïs toe, twee geweldige gevlochten manden met rijst, tien jerrycans palmolie, drie rollen raffia matten, vier gigantische aluminium ketels die als koffers dienst deden, acht kratten met lege flessen, talloze plastic voorwerpen met van alles er in, verscheidene vormloze bundels – en twee rugzakken.

De passagiers die op een muurtje hadden zitten wachten, druk in de weer met een uitgebreid nakroost, stonden nu vol verwachting op; baby’s werden van de borst genomen en dreumesen zagen hun zwaar mishandelde broodjes afgepakt. Maar onze tijd was nog niet gekomen. Uiteindelijk bleek dat we moesten wachten op twee rijke Fulani kooplieden, die, deftig en knap in hun keurig gestreken zacht blauwe gewaden, om 7.45 uur a.m. per taxi arriveerden en meteen de ruime plaatsen naast de chauffeur bezetten. Opgezadeld zijn met kinderen was er voor hen niet bij!

Toen we het sein kregen ons in het busje te persen bleek dat ik op de middelste plaats van de middelste rij zat; geen beste plaats om het landschap waar te nemen. Rechts van mij zat een klein zeer duidelijk zwanger meisje afwisselend te slapen en babykleertjes te haken. Links van me was een lange, slanke jonge vrouw in geestig Frans bezig met het probleem hoe ze haar zeer lange benen kwijt moest raken. Net toen we op het punt stonden te vertrekken schoven twee wat oudere, aan vetzucht lijdende vrouwen, met boezems om u tegen te zeggen, de deur naar achteren en drongen zich, zwaar hijgend, naar binnen. In het nauwe looppad werden extra stoelen tevoorschijn getoverd, en we probeerden allemaal vriendelijk onszelf en onze bagage nog compacter te maken.

Vergeleken met autoreizen in Madagascar was deze rit van zes uur om te zoenen; de nieuwe weg, zo glad als een biljartlaken, was zo puik als je er zelden een vindt in Engeland, laat staan in Ierland. Twee uur lang bleven we in het lage, vochtige gebied, waar rubberplantages af en toe een onderbreking vormden op kilometers dicht oerwoud. In de buurt van de dorpen hakten vrouwen en meisjes, diep gebogen, ritmisch in de zachte rode aarde, met korte, breedbladige schoffels. Sommige grootmoeders -waarschijnlijk niet ouder dan ik zelf ben – hadden een sterk gekromde rug en bewogen zich moeizaam. Je zag er veel mannen rondhangen, en met elkaar zitten praten en drinken en grappen maken.

In dit betrekkelijk verwesterst gebied waren de meeste woningen gebouwd van lichte betonblokken, met een blikken dak, onaanzienlijk en omgeven door een overvloed aan smerig “consumenten” afval. Zo te zien was er niemand ook maar een beetje trots op zijn huis of tuin, en leek het er op dat de mensen hier onder een ongeneeslijke cultuurschok leden. Ofschoon de Kameroenezen moderne bouwmaterialen kiezen, voor het gemak of om duur te doen, zijn zij er niet in geïnteresseerd om ze creatief, of ook maar praktisch, toe te passen.

De weg begon te klimmen toen we de voet van de berg Koupe naderden, die, na zo’n lange reis door vlak gebied, hoger leek dan de gegeven 1800 meter. Na een lange klim omhoog over talrijke beboste heuvels reden we Kameroens dichtst bevolkte provincie binnen, een gebied dat zo vruchtbaar is dat het meer dan honderd bewoners per vierkante kilometer kan voeden, een getal dat des te meer aanspreekt als je het vergelijkt met de één per kilometer in de Tchabal Mbabo. Hier voelde de lucht heerlijk koel aan, en niet zo ver weg verhieven zich, in een golvende rij langs de horizon, het soort ruige bergen die mijn adrenaline bovenmatig stimuleren.

Ineens kwam Bamenda in zicht, de huizen her en der verspreid over een vlakte die rood was van het stof, 300 meter onder de voet van een plotseling oprijzende bergwand. Het is een snel groeiende stad met zo’n 70.000 inwoners, huizen met meestal één verdieping, overwegend hobbelige straten, en mensen waarvan we snel ontdekten dat ze voor het merendeel hartelijk waren, én gastvrij.

Volgende
Terug