Go to content Go to navigation Go to search

Mbouda, 29 mei 1971 · 3238 dagen geleden by Ad van den Ende

Beste Theo, Je weet dat we woensdag, 15 april, ‘s avonds in Reggane aankwamen. Vandaar zijn we de volgende morgen verder gereden, over de “vlakte van de Tidikelt”, richting In Salah. De richting werd globaal aangegeven door lege oliebussen of door steenhopen; je moest zelf je eigen “spoor” maar zoeken. Waar veel auto’s gereden hebben wordt de weg namelijk vol kuilen als je zandig terrein hebt, en op rotsgrond ontstaan diepe “ribbels”: het zogenaamde “wasbordeffect”. Om die te ontwijken worden er steeds weer nieuwe sporen gevormd. Je volgt dat wat je het beste lijkt, of je maakt zelf een nieuw. Daar is meestal ruimte genoeg voor.

Zo kan het gebeuren dat de “weg” soms neer dan een kilometer breed is! Vooral op vlak terrein. In bergachtig gebied moet je je wel aan het ene spoor houden. We ontdekten dat we het minste last van de ribbels hadden als we er hard over heen reden. Dat is wel een aparte ervaring, om in een hoog tempo over een heel slechte weg te rijden. Maar de auto kon er goed tegen, en zelf wenden we er op de duur ook wel aan. Het was wel grappig om te zien dat de weg in het begin veel kronkeliger geweest was. De eerste auto’s die er over heen reden zochten blijkbaar voorzichtig de beste stukken uit. Maar later gingen de auto’s steeds harder rijden, en werden er steeds meer bochten afgesneden, zodat de weg rechter, en korter werd. Dat hebben we die eerste dag twee keer gemerkt, want we zijn twee keer een plaats voorbij gereden omdat we er – volgens onze kilometerteller – nog lang niet waren: eerst Aoulef— ‘s middags — en later op de dag In Salah. Het was maar goed dat we dat nog net op tijd ontdekten, anders waren we tussen In Salah en Tamanrasset toch wel zonder benzine komen te zitten. Nu konden we onze voorraad aanvullen – dankzij onze reservetank konden we meer dan drie honderd liter meenemen -, en onze jerrycans met water vullen.

In Salah is een grote – en mooie – oaseplaats, met voldoende water. Het viel ons op dat je er in verhouding weer wat meer negers zag dan in de plaatsen die we tot dan toe gepasseerd waren. We kwamen langzaamaan toch wat dichter in de buurt van Centraal Afrika. Na onze motor nog eens geïnspecteerd te hebben vertrokken we vrijdag, 16 april, ‘s morgens om een uur of tien uit In Salah. Het waaide – en stofte – behoorlijk. Als dat in open terrein erger zou worden, zou het wel eens lastig kannen worden. Maar dat viel mee. De wind nam geleidelijk af. De weg was goed; het eerste stuk was zelfs geasfalteerd, zodat we goed op konden schieten. Voor de avond bereikten we de bergen bij Arak. We waren door het plaatsje heen voor we er erg in hadden. We zijn door gereden tot ongeveer 250 kilometer voor Tamanrasset, zochten daar een mooi plekje op en bleven daar voor die nacht. Zo midden in de woestijn, met bergen om je heen, en hier en daar toch nog wat struiken, is het wel rustig. Je hoort helemaal niets. En het is wel een grappig idee om te weten datje een paar honderd kilometer van de dichtstbijzijnde plaats af zit.

De volgende morgen zijn we verder gereden door het Hoggargebergte. Van het oorspronkelijke gebergte is weinig meer over. Je ziet niet veel meer dan grote heuvels puin, soms nog een paar enorme rotsblokken, meestal zonder enige begroeiing. Door de verwering hebben de rotsen hier en daar wel fantastische vormen aangenomen. Een modem kunstenaar zou het nauwelijks zo kunnen bedenken! Nog voor de middag bereikten we Tamanrasset. Al bij het binnenrijden valt een groot verschil op met In Salah: De muren en gebouwen van die stad waren rood, opgebouwd uit rode leem – In Salah betekent “Rode Stad” -. Tamanrasset is uit gele aarde opgetrokken. Het geel van de muren kleurt mooi met het blauw van de lange gewaden waarin de Toeareggs gekleed gaan.

Tamanrasset is de hoofdplaats van het Toearegg-gebied, Een gebied zo groot als Frankrijk, met misschien enkele tienduizenden bewoners. De bevolking bestaat, behalve uit Toeareggs, die voornamelijk nog een nomadenbestaan leiden, uit Karratins; dat zijn afstammelingen van negerslaven, die in de oases de tuinen van de Toeareggs bewerken. De Toeareggs zijn zelf ook heel donker van huidskleur, soms zelfs volkomen zwart, maar toch kun je ze duidelijk van negers onderscheiden. Stammen, die met hen verwant zijn, zijn tot ver in Afrika doorgedrongen; we zouden ze ook in Centraal-Afrika nog vaak tegenkomen. We waren Zaterdagmiddag in Tamanrasset aangekomen, en we zouden tot Maandag moeten wachten voor we ons op de “Daira” konden melden en toestemming konden krijgen om aan het volgende traject te beginnen. We besloten daarom om naar het hotel te gaan, dan konden we daar onze spullen eens uitwassen. Daar kwam nog bij dat mijn maag in opstand was, waarschijnlijk vanwege het feit dat ik tomaten, die we in In Salah gekocht hadden, gegeten had zonder ze eerst schoon te spoelen. Een dag rust zou geen kwaad kunnen. Het hotel – speciaal voor vreemdelingen – was een echt luxe hotel. Er was zelfs, op bepaalde tijden van de dag stromend water. Het water druppelde wel meer dan dat het stroomde, maar het was er toch. Voor het hotel was een gezellig terrasje, waar je zelfs een pilsje kon bestellen. We raakten helemaal het moeilijk opgebouwde “image” van Sahara-reizigers kwijt toen er ’s avonds een reisgezelschap van Duitsers en Zwitsers neerstreek; die waren met twee bussen door de Sahara gekomen! Die trip was waarschijnlijk georganiseerd door een reisbureau dat over bussen beschikte die toch al afgeschreven waren. Onderweg waren de achterruiten van allebei de bussen eruit gevlogen. Het karton ervoor verhinderde niet dat er aardig wat stof binnenwaaide. Dat feit, en het feit dat er een dag niet voor eten was gezorgd, hadden de stemming in het gezelschap niet bepaald doen stijgen. De reisleider vertrouwde ons toe dat verschillende passagiers aan een zenuwinzinking toe waren. Hij zelf zou blij zijn als hij het hele gezelschap weer heelhuids in München af kon leveren. Om de stemming in het gezelschap wat op te vrolijken werd er ‘s avonds een groep Toeareggs besteld die een “gewerendans” uit kwam voeren. Eenzelfde soort dans hadden we onderweg ook al gezien; eerst in Béchar – met paarden – en daarna in Adrar. Daar beschikte men niet over paarden, en had het geheel meer het karakter van een buurtfeest. De mannen stelden zich aan één kant van de straat op, stopten met lange stokken het kruit in de loop van hun voorlader, en renden dan op een teken naar de overkant van de straat, keerden zich om en schoten dan als één man tegelijk hun geweer af. Dat gaf telkens een geweldig effect natuurlijk. Dat gaf het in Tamanrasset ook; daar werd het afschieten van de geweren nog voorafgegaan door een hele tijd zingen en dansen, zodat je nooit precies wist wanneer ze zouden schieten. Succes verzekerd! Maandag, 19 april, reden we rond twaalf uur uit Tamanrasset weg. Het landschap was de eerste paar honderd kilometer nog tamelijk bergachtig, en ging daarna geleidelijk over in een grote zandvlakte. Tegen de avond bereikten we In Guezzam, een klein dorp op de grens van Algerije en Niger.

Kinderen kwamen naar ons toe en probeerden portemonnees en sierraden aan ons te verkopen, of te ruilen voor overhemden. Ze hadden ook belangstelling voor lampjes van zaklantaarns. Dat was wel grappig: Delftse studenten, die nog geen halfjaar daarvoor in dezelfde streek geweest waren, hadden nog wonderen kunnen doen met lucifers als ruilmiddel, maar dat was nu blijkbaar al uit de mode.

De volgende morgen passeerden we zonder moeilijkheden de grens, en reden we Niger binnen. De vierwielaandrijving bewees goede diensten, want het terrein was soms enorm zanderig. De wegaanduiding werd ook minder. Soms reed je hele stukken zonder ergens een wegaanduiding te zien: dan volgde je alleen de wielsporen die de voorgangers gemaakt hadden. Dat werd een beetje moeilijk toen we In-Abangarit passeerden. Daar maakte de weg — volgens de kaart – een scherpe bocht, maar de weg was niet meer te zien! Die was volledig uitgewist door de grote kudden kamelen en koeien die daar langs trokken, omdat daar een put was.

We hebben eerst wel een half uur gezocht zonder een spoor te vinden. Tenslotte zijn we in een grote cirkel om de put heen gaan rijden, en toen vonden we inderdaad het wielspoor terug. Op zo’n moment voel je je wel opgelucht!

‘n Honderd kilometer vóór Agadez hebben we onze laatste nacht in de woestijn doorgebracht. Toen we ‘s morgens onze hangmat oprolden, kwam er van uit de verte een Toearegg naar ons toe gewandeld. Dat was blijkbaar een herder die even kwam “buurten”. We maakten het bekende begroetingsgebaar – beide handen in de lucht, met de handpalmen naar voren – maar toen waren we uitgepraat. We boden hem een sigaret aan. Die nam hij dankbaar aan; hij brak hem doormidden en stak een helft achter zijn kiezen. We knikten vriendelijk nog wat over en weer, gaven hem nog wat pijptabak, en toen verdween hij weer opgeruimd de woestijn in. Uit dezelfde richting waarin hij verdwenen was kwamen een tijdje later twee vrouwen aangewandeld, met een paar kinderen bij zich. Een van de vrouwen had een kannetje melk bij zich. We moesten onze bekers geven. Die schonk ze tot de rand toe vol met lekkere verse melk. We gaven haar iets wat we toevallig bij de hand hadden: een zak suiker. Daar was ze enorm blij mee. Pas toen ze weer weg waren dachten we er aan dat ze waarschijnlijk zo blij was omdat ze meende zout gekregen te hebben. Zout is in die gebieden een enorme levensbehoefte, niet alleen voor de mensen, maar ook voor hun vee. “Wie zout eet, leeft” is daar een spreekwoord. Midden in de woestijn liggen plaatsen waar nog elke winter karavanen met duizenden kamelen naar toe trekken om zout te halen, tot vanuit de Soedan toe!

We kwamen onderweg nog heel wat karavanen tegen. Als we onze hand opstaken zwaaiden de Toeareggs die er bij waren altijd vriendelijk terug. “Toearegg” is eigenlijk een soort scheldnaam, die de Arabieren hen gegeven hebben. Het betekent: “Door Allah Verstoten”. De Toeareggs noemen zichzelf “de vrijen”. Zoals ze met hun kamelen door de woestijn trekken, leiden ze inderdaad een vrij leven, hoe arm dat ook is. Zelf voelen ze wel aan dat dat niet lang meer zal duren. De vrachtauto’s rijden heel wat economischer; en bovendien, wanneer hun kinderen eenmaal naar school gaan kiezen ze later niet meer voor het leven van hun ouders. Jammer genoeg niet, want buitenstaanders als wij kunnen voor het leven, dat de Toeareggs leiden, alleen naar bewondering hebben.

Woensdag, 21 april, reden we ‘s morgens al vroeg Agadez binnen. We konden elkaar feliciteren, want we waren door de Sahara heen. Na Agadez begonnen de steppen en savannen die de grens vormen van Centraal-Afrika. We waren sneller door de woestijn gereisd dan we van te voren gedacht hadden. Maar hoe kort de reis ook geduurd had, het was een goede ervaring geweest.

Als je zelf soms later ook eens zin hebt om door de Sahara te reizen, kan ik je maar één ding aanbevelen: doen!
Hartelijke groeten, oom Ad.

Terug

reageer