Go to content Go to navigation Go to search

De runderen van de Zonnegod · 657 dagen geleden by Ad van den Ende

αὐτὰρ ἐπεὶ πέτρας φύγομεν δεινήν τε Χάρυβδιν
Maar toen wij aan de rotsen ontkomen waren en aan de verschrikkelijke Charybdis
Σκύλλην τ᾽, αὐτίκ᾽ ἔπειτα θεοῦ ἐς ἀμύμονα νῆσον
en Skylla, bereikten wij vervolgens aanstonds van een God een heerlijk eiland.
ἱκόμεθ᾽· ἔνθα δ᾽ ἔσαν καλαὶ βόες εὐρυμέτωποι,
daar waren mooie runderen met brede voorhoofden,
πολλὰ δὲ ἴφια μῆλ᾽ Ὑπερίονος Ἠελίοιο.
en veel stevige schapen van Hyperion, de Zonnegod.

δὴ τότ᾽ ἐγὼν ἔτι πόντῳ ἐὼν ἐν νηὶ μελαίνῃ
Al op zee op zijnde op het donkere schip
μυκηθμοῦ τ᾽ ἤκουσα βοῶν αὐλιζομενάων
hoorde ik het geloei van de runderen in hun hof
οἰῶν τε βληχήν· καί μοι ἔπος ἔμπεσε θυμῷ
en van schapen het geblaat. En het woord schoot mij te binnen
μάντηος ἀλαοῦ, Θηβαίου Τειρεσίαο,
van de blinde ziener, de Thebaan Teiresias,
Κίρκης τ᾽ Αἰαίης, ἥ μοι μάλα πόλλ᾽ ἐπέτελλε
en van Kirke van Aia, die mij zeer dringend opdroeg
νῆσον ἀλεύασθαι τερψιμβρότου Ἠελίοιο.
het eiland te mijden van de, de mensen verkwikkende, Zonnegod.
δὴ τότ᾽ ἐγὼν ἑτάροισι μετηύδων ἀχνύμενος κῆρ·
Daarop sprak ik temidden van mijn mannen, bedroefd in mijn hart:

“κέκλυτέ μευ μύθων κακά περ πάσχοντες ἑταῖροι,
“Luister naar mijn woorden, ook al doorstaan jullie slechte dingen, mannen,
ὄφρ᾽ ὑμῖν εἴπω μαντήια Τειρεσίαο
opdat ik jullie vertel de voorspellingen van Teiresias
Κίρκης τ᾽ Αἰαίης, ἥ μοι μάλα πόλλ᾽ ἐπέτελλε
en van Kirke van Aia, die mij zeer dringend opdroeg
νῆσον ἀλεύασθαι τερψιμβρότου Ἠελίοιο·
het eiland te mijden van de, de mensen verkwikkende, Zonnegod.
ἔνθα γὰρ αἰνότατον κακὸν ἔμμεναι ἄμμιν ἔφασκεν.
want dat daar een zeer ernstige bedreiging ons wachtte, zeiden ze.

ἀλλὰ παρὲξ τὴν νῆσον ἐλαύνετε νῆα μέλαιναν.”
Stuur dus ons donkere schip uit de buurt van het eiland”.
ὣς ἐφάμην, τοῖσιν δὲ κατεκλάσθη φίλον ἦτορ.
Zo sprak ik, maar bij hen brak hun hart,
αὐτίκα δ᾽ Εὐρύλοχος στυγερῷ μ᾽ ἠμείβετο μύθῳ·
en direct antwoordde Eurylochos met ‘n vreselijk woord:
“σχέτλιός εἰς, Ὀδυσεῦ· περί τοι μένος, οὐδέ τι γυῖα
“Je bent wel hardvochtig, Odysseus, en sterk van geest en in je lichaam
κάμνεις· ἦ ῥά νυ σοί γε σιδήρεα πάντα τέτυκται,
word je niet moe; bij jou lijkt wel alles van ijzer vervaardigd,
ὅς ῥ᾽ ἑτάρους καμάτῳ ἁδηκότας ἠδὲ καὶ ὕπνῳ
jij die je mannen, door moeheid overmand en door slaap,
οὐκ ἐάᾳς γαίης ἐπιβήμεναι, ἔνθα κεν αὖτε
niet toestaat aan land te gaan waar wij weer eens
νήσῳ ἐν ἀμφιρύτῃ λαρὸν τετυκοίμεθα δόρπον,
op een omstroomd eiland ‘n heerlijke maaltijd zouden kunnen bereiden,

ἀλλ᾽ αὔτως διὰ νύκτα θοὴν ἀλάλησθαι ἄνωγας
maar doordrijft dat wij zo maar in een snel invallende avond ronddolen
νήσου ἀποπλαγχθέντας ἐν ἠεροειδέι πόντῳ.
weggeslagen van een eiland op een mistige zee.

ἐκ νυκτῶν δ᾽ ἄνεμοι χαλεποί, δηλήματα νηῶν,
Uit de nachten komen hevige stormen voort, beschadigers van schepen.
γίγνονται· πῇ κέν τις ὑπεκφύγοι αἰπὺν ὄλεθρον,
Hoe zal iemand ontsnappen aan het steile verderf,
ἤν πως ἐξαπίνης ἔλθῃ ἀνέμοιο θύελλα,
als misschien plotseling komt van de wind een vlaag
ἢ Νότου ἢ Ζεφύροιο δυσαέος, οἵ τε μάλιστα
of van de zuidenwind of van de hevig waaiende westenwind, die het meest
νῆα διαρραίουσι θεῶν ἀέκητι ἀνάκτων.
een schip verbrijzelen, tegen de wil van de goden, de heersers.

ἀλλ᾽ ἦ τοι νῦν μὲν πειθώμεθα νυκτὶ μελαίνῃ
Nee, heus, laten we ons nu maar schikken naar de donkere nacht,
δόρπον θ᾽ ὁπλισόμεσθα θοῇ παρὰ νηὶ μένοντες,
en laten we een maaltijd bereiden, bij ons snelle schip blijvend,
ἠῶθεν δ᾽ ἀναβάντες ἐνήσομεν εὐρέι πόντῳ”.
dan morgen vroeg aan boord gegaan zullen we de brede zee opvaren”.
ὣς ἔφατ᾽ Εὐρύλοχος, ἐπὶ δ᾽ ᾔνεον ἄλλοι ἑταῖροι.
Zo sprak Eurylochos en de andere mannen betoonden hun bijval.
καὶ τότε δὴ γίγνωσκον ὃ δὴ κακὰ μήδετο δαίμων,
Toen zag ik in dat een godheid slechte dingen beraamde,
καί μιν φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδων·
en mijn stem verheffend sprak ik hem de gevleugelde woorden toe:
“Εὐρύλοχ᾽, ἦ μάλα δή με βιάζετε μοῦνον ἐόντα.
“Eurylochos, jullie zetten mij in mijn eentje onder druk.
ἀλλ᾽ ἄγε νῦν μοι πάντες ὀμόσσατε καρτερὸν ὅρκον·
Maar kom, zweer me nu allen met een krachtige eed,
εἴ κέ τιν᾽ ἠὲ βοῶν ἀγέλην ἢ πῶυ μέγ᾽ οἰῶν
dat als wij een of andere kudde runderen of een grote kudde schapen
εὕρωμεν, μή πού τις ἀτασθαλίῃσι κακῇσιν
zullen vinden, niemand door slechte roekeloze daden
ἢ βοῦν ἠέ τι μῆλον ἀποκτάνῃ· ἀλλὰ ἕκηλοι
of een rund of een schaap doodt; maar eet rustig
ἐσθίετε βρώμην, τὴν ἀθανάτη πόρε Κίρκη”.
het voedsel dat de onsterfelijke Kirke ons meegaf”.

ὣς ἐφάμην, οἱ δ᾽ αὐτίκ᾽ ἀπώμνυον, ὡς ἐκέλευον.
Zo sprak ik; en zij zwoeren aanstonds zoals ik bevolen had.
αὐτὰρ ἐπεί ῥ᾽ ὄμοσάν τε τελεύτησάν τε τὸν ὅρκον,
Maar toen zij hadden gezworen en de eed hadden beëindigd
στήσαμεν ἐν λιμένι γλαφυρῷ ἐυεργέα νῆα
meerden wij in een komvormige haven het goedgebouwde schip aan,
ἄγχ᾽ ὕδατος γλυκεροῖο, καὶ ἐξαπέβησαν ἑταῖροι
dichtbij zoet water, en mijn mannen stapten uit
νηός, ἔπειτα δὲ δόρπον ἐπισταμένως τετύκοντο.
de boot; vervolgens bereidden zij vakkundig een maaltijd.

αὐτὰρ ἐπεὶ πόσιος καὶ ἐδητύος ἐξ ἔρον ἕντο,
Maar toen zij het verlangen naar drinken en eten hadden verdreven,
μνησάμενοι δὴ ἔπειτα φίλους ἔκλαιον ἑταίρους,
zich hen herinnerend weenden ze vervolgens om de dierbare makkers
οὓς ἔφαγε Σκύλλη γλαφυρῆς ἐκ νηὸς ἑλοῦσα·
die de Skylla had verslonden, hen uit het holle schip gepakt hebbend.

κλαιόντεσσι δὲ τοῖσιν ἐπήλυθε νήδυμος ὕπνος.
Terwijl zij weenden kwam over hun een diepe slaap.
ἦμος δὲ τρίχα νυκτὸς ἔην, μετὰ δ᾽ ἄστρα βεβήκει,
Maar toen het ‘t derde deel van de nacht was en de sterren over waren gegaan,
ὦρσεν ἔπι ζαῆν ἄνεμον νεφεληγερέτα Ζεὺς
zond hij op ons af een hevig waaaiende wind, de wolkenverzamelaar Zeus,
λαίλαπι θεσπεσίῃ, σὺν δὲ νεφέεσσι κάλυψε
met een ontzaglijke stormvlaag, met wolken bedekte hij
γαῖαν ὁμοῦ καὶ πόντον· ὀρώρει δ᾽ οὐρανόθεν νύξ.
aarde én zee; er was begonnen vanuit de hemel de nacht.

ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,
Toen nu aanbrak de vroeggeboren rozevingerige Dageraad,
νῆα μὲν ὡρμίσαμεν κοῖλον σπέος εἰσερύσαντες.
legden wij het schip voor anker, na het in een holle grot getrokken te hebben,
ἔνθα δ᾽ ἔσαν νυμφέων καλοὶ χοροὶ ἠδὲ θόωκοι·
daar waren van nimfen mooie dansplaatsen en zetels;
καὶ τότ᾽ ἐγὼν ἀγορὴν θέμενος μετὰ μῦθον ἔειπον·
en toen, een vergadering belegd hebbend, sprak ik in hun midden het woord:

“ὦ φίλοι, ἐν γὰρ νηὶ θοῇ βρῶσίς τε πόσις τε
“Vrienden, in ons snelle schip is voedsel en drank
ἔστιν, τῶν δὲ βοῶν ἀπεχώμεθα, μή τι πάθωμεν·
Laten we ons onthouden van de runderen, opdat we niets lijden,
δεινοῦ γὰρ θεοῦ αἵδε βόες καὶ ἴφια μῆλα,
want van een verschrikkelijke god zijn deze runderen en stevige schapen,
Ἠελίου, ὃς πάντ᾽ ἐφορᾷ καὶ πάντ᾽ ἐπακούει.᾽
van de zonnegod, die alles ziet en alles hoort”.
“ὣς ἐφάμην, τοῖσιν δ᾽ ἐπεπείθετο θυμὸς ἀγήνωρ.
Zo sprak ik, en bij hen gehoorzaamde het fiere gemoed.

μῆνα δὲ πάντ᾽ ἄλληκτος ἄη Νότος, οὐδέ τις ἄλλος
Maar een hele maand lang blies onafgebroken de Zuidenwind, en niet een andere
γίγνετ᾽ ἔπειτ᾽ ἀνέμων εἰ μὴ Εὖρός τε Νότος τε.
kwam er vervolgens van de winden, behalve de Westenwind en de Zuidenwind.

οἱ δ᾽ ἧος μὲν σῖτον ἔχον καὶ οἶνον ἐρυθρόν,
Zij nu, zolang zij voedsel hadden en rode wijn,
τόφρα βοῶν ἀπέχοντο λιλαιόμενοι βιότοιο.
zo lang bleven zij af van de runderen, bezorgd om het leven.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ νηὸς ἐξέφθιτο ἤια πάντα,
Maar toen van het schip was opgeraakt alle proviand,
καὶ δὴ ἄγρην ἐφέπεσκον ἀλητεύοντες ἀνάγκῃ,
en zij de jacht beoefenden, rondzwervend, noodgedwongen,
ἰχθῦς ὄρνιθάς τε, φίλας ὅ τι χεῖρας ἵκοιτο,
op vissen en vogels, wat maar in hun handen kwam,
γναμπτοῖς ἀγκίστροισιν, ἔτειρε δὲ γαστέρα λιμός·
met kromme haken, omdat de honger hun maag kwelde,
δὴ τότ᾽ ἐγὼν ἀνὰ νῆσον ἀπέστιχον, ὄφρα θεοῖσιν
toen dan zonderde ik mij af op het eiland, opdat tot de goden
εὐξαίμην, εἴ τίς μοι ὁδὸν φήνειε νέεσθαι.
ik zou bidden, in de hoop dat er een mij de weg zou tonen om terug te keren.

ἀλλ᾽ ὅτε δὴ διὰ νήσου ἰὼν ἤλυξα ἑταίρους,
Maar toen ik, over het eiland gaande, mijn mannen ontlopen was,
χεῖρας νιψάμενος, ὅθ᾽ ἐπὶ σκέπας ἦν ἀνέμοιο,
na mijn handen gewassen te hebben, toen ik in de luwte was van de wind,
ἠρώμην πάντεσσι θεοῖς οἳ Ὄλυμπον ἔχουσιν·
bad ik tot alle goden die de Olympos bewonen.
οἱ δ᾽ ἄρα μοι γλυκὺν ὕπνον ἐπὶ βλεφάροισιν ἔχευαν.
Die echter strooiden een zoete slaap over mijn oogleden,
Εὐρύλοχος δ᾽ ἑτάροισι κακῆς ἐξήρχετο βουλῆς·
en Eurylochos kwam het eerst voor mijn mannen met een slecht plan:

“κέκλυτέ μευ μύθων κακά περ πάσχοντες ἑταῖροι.
“Luister naar mijn woorden, ook al rampen ondergaand, mannen,
πάντες μὲν στυγεροὶ θάνατοι δειλοῖσι βροτοῖσι,
alle soorten dood zijn wel afschuwelijk voor ongelukkige stervelingen,
λιμῷ δ᾽ οἴκτιστον θανέειν καὶ πότμον ἐπισπεῖν.
maar door honger is het ‘t jammerlijkst te sterven en de dood te vinden.
ἀλλ᾽ ἄγετ᾽, Ἠελίοιο βοῶν ἐλάσαντες ἀρίστας
Maar kom, van Helios van de runderen hebbend voortgedreven de beste,
ῥέξομεν ἀθανάτοισι, τοὶ οὐρανὸν εὐρὺν ἔχουσιν.
laten we ze offeren aan de onsterfelijken, die de wijde hemel bewonen.

εἰ δέ κεν εἰς Ἰθάκην ἀφικοίμεθα, πατρίδα γαῖαν,
En als we op Ithaka aan zijn gekomen, ons vaderland,
αἶψά κεν Ἠελίῳ Ὑπερίονι πίονα νηὸν
zullen we terstond voor de Zonnegod Hyperion een rijke tempel
τεύξομεν, ἐν δέ κε θεῖμεν ἀγάλματα πολλὰ καὶ ἐσθλά.
bouwen, en daarin zullen we wel plaatsen beelden, veel en voortreffelijke.
εἰ δὲ χολωσάμενός τι βοῶν ὀρθοκραιράων
En als hij, enigszins boos geworden om zijn rechtgehoornde runderen,
νῆ᾽ ἐθέλῃ ὀλέσαι, ἐπὶ δ᾽ ἕσπωνται θεοὶ ἄλλοι,
ons schip zal willen vernietigen, en daarin zullen meegaan de andere goden,
βούλομ᾽ ἅπαξ πρὸς κῦμα χανὼν ἀπὸ θυμὸν ὀλέσσαι,
dan wil ik toch liever ineens door verdrinking mijn leven verliezen
ἢ δηθὰ στρεύγεσθαι ἐὼν ἐν νήσῳ ἐρήμῃ”.
dan lang me af te tobben op een verlaten eiland”.

ὣς ἔφατ᾽ Εὐρύλοχος, ἐπὶ δ᾽ ᾔνεον ἄλλοι ἑταῖροι.
Zo sprak Eurylochos, en de andere makkers vielen hem bij.
αὐτίκα δ᾽ Ἠελίοιο βοῶν ἐλάσαντες ἀρίστας
En prompt van de Zonnegod voortgedreven hebbend van de runderen de beste,
ἐγγύθεν, οὐ γὰρ τῆλε νεὸς κυανοπρῴροιο
van vlakbij, want niet ver van het schip met donkere voorsteven
βοσκέσκονθ᾽ ἕλικες καλαὶ βόες εὐρυμέτωποι·
graasden kromhorige mooie runderen met breed voorhoofd,

τὰς δὲ περίστησάν τε καὶ εὐχετόωντο θεοῖσιν,
Daar gingen ze omheen staan en ze baden tot de goden,
φύλλα δρεψάμενοι τέρενα δρυὸς ὑψικόμοιο·
na tere blaadjes geplukt te hebben van een eik met hoog loof;
οὐ γὰρ ἔχον κρῖ λευκὸν ἐυσσέλμου ἐπὶ νηός.
want zij hadden geen witte gerst op het schip met goede roeibanken.
αὐτὰρ ἐπεί ῥ᾽ εὔξαντο καὶ ἔσφαξαν καὶ ἔδειραν,
En toen zij gebeden hadden en geslacht en gevild,
μηρούς τ᾽ ἐξέταμον κατά τε κνίσῃ ἐκάλυψαν
sneden zij de schenkels eruit en bedekten die geheel met vet,
δίπτυχα ποιήσαντες, ἐπ᾽ αὐτῶν δ᾽ ὠμοθέτησαν.
die dubbel gemaakt hebbend legden ze er rauwe stukjes vlees op.

οὐδ᾽ εἶχον μέθυ λεῖψαι ἐπ᾽ αἰθομένοις ἱεροῖσιν,
Zij hadden geen wijn meer om te plengen op de sudderende offers,
ἀλλ᾽ ὕδατι σπένδοντες ἐπώπτων ἔγκατα πάντα.
maar met water plengend braadden zij alle ingewanden.
αὐτὰρ ἐπεὶ κατὰ μῆρ᾽ ἐκάη καὶ σπλάγχνα πάσαντο,
Toen de schenkels geheel verbrand waren en zij de ingewanden hadden gegeten,
μίστυλλόν τ᾽ ἄρα τἆλλα καὶ ἀμφ᾽ ὀβελοῖσιν ἔπειραν.
sneden zij de andere delen aan stukken en spietsten die aan braadspeten.

καὶ τότε μοι βλεφάρων ἐξέσσυτο νήδυμος ὕπνος,
En toen snelde weg van mijn oogleden de diepe slaap
βῆν δ᾽ ἰέναι ἐπὶ νῆα θοὴν καὶ θῖνα θαλάσσης.
en ging ik op weg naar het snelle schip en het strand van de zee.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ σχεδὸν ἦα κιὼν νεὸς ἀμφιελίσσης,
Maar toen ik al vlakbij was, al gaande, bij het schip, gekromd aan weerszijden,
καὶ τότε με κνίσης ἀμφήλυθεν ἡδὺς ἀυτμή.
toen omgaf mij van vet de heerlijke geur.

οἰμώξας δὲ θεοῖσι μέγ᾽ ἀθανάτοισι γεγώνευν·
In gejammer uitgebarsten riep ik uit tot de onsterfelijke goden:
“Ζεῦ πάτερ ἠδ᾽ ἄλλοι μάκαρες θεοὶ αἰὲν ἐόντες,
“Vader Zeus en andere gelukzalige, altijd zijnde goden,
ἦ με μάλ᾽ εἰς ἄτην κοιμήσατε νηλέι ὕπνῳ.
werkelijk, zeer tot mijn onheil hebben jullie mij doen inslapen met een meedogenloze slaap,
οἱ δ᾽ ἕταροι μέγα ἔργον ἐμητίσαντο μένοντες”.
want mijn mannen bedachten een erge daad, hier blijvend.”

De woede van Helios

ὠκέα δ᾽ Ἠελίῳ Ὑπερίονι ἄγγελος ἦλθε
Snel ging een bode naar de Zonnegod Hyperion,
Λαμπετίη τανύπεπλος, ὅ οἱ βόας ἔκταμεν ἡμεῖς.
Lampetia, in zijn lange gewaad, (die zei) dat wij zijn runderen hadden gedood.

αὐτίκα δ᾽ ἀθανάτοισι μετηύδα χωόμενος κῆρ·
En terstond sprak hij tot de onsterfelijken, boos in zijn hart:
“Ζεῦ πάτερ ἠδ᾽ ἄλλοι μάκαρες θεοὶ αἰὲν ἐόντες,
“Vader Zeus en andere gelukzalige goden, altijd zijnde,
τῖσαι δὴ ἑτάρους Λαερτιάδεω Ὀδυσῆος,
straf toch de makkers van Laërtes’ zoon Odysseus,
οἵ μευ βοῦς ἔκτειναν ὑπέρβιον, ᾗσιν ἐγώ γε
die mijn runderen doodden in hun overmoed, waarover ik
χαίρεσκον μὲν ἰὼν εἰς οὐρανὸν ἀστερόεντα,
steeds mij verheugde als ik ging naar de sterrenrijke hemel.
ἠδ᾽ ὁπότ᾽ ἂψ ἐπὶ γαῖαν ἀπ᾽ οὐρανόθεν προτραποίμην.
en wanneer ik mij terugwendde naar de aarde vanaf de hemel.

εἰ δέ μοι οὐ τίσουσι βοῶν ἐπιεικέ᾽ ἀμοιβήν,
Als zij me niet zullen betalen voor de runderen een gepaste vergoeding
δύσομαι εἰς Ἀίδαο καὶ ἐν νεκύεσσι φαείνω”.
dan zal ik onderduiken in de Hades en zal ik voor de schimmen schijnen “.

τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη νεφεληγερέτα Ζεύς·
Tot hem nu ten antwoord sprak de wolkenverzamelaar Zeus:
“Ἠέλι᾽, ἦ τοι μὲν σὺ μετ᾽ ἀθανάτοισι φάεινε
“Zonnegod, waarachtig, voor de onsterfelijken moet jij schijnen.
καὶ θνητοῖσι βροτοῖσιν ἐπὶ ζείδωρον ἄρουραν·
en voor de sterfelijke stervelingen op het graanschenkende akkerland.
τῶν δέ κ᾽ ἐγὼ τάχα νῆα θοὴν ἀργῆτι κεραυνῷ
Van hen zal ik dra het snelle schip met mijn wtte bliksem,
τυτθὰ βαλὼν κεάσαιμι μέσῳ ἐνὶ οἴνοπι πόντῳ.
het kort en klein geslagen hebbend, splijten midden op de wijnkleurige zee”.
ταῦτα δ᾽ ἐγὼν ἤκουσα Καλυψοῦς ἠυκόμοιο·
Dat heb ik zelf gehoord van Kalypso met de mooie vlecht
ἡ δ᾽ ἔφη Ἑρμείαο διακτόρου αὐτὴ ἀκοῦσαι.
en die zei het van Hermes, de bode, zelf gehoord te hebben.

τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη νεφεληγερέτα Ζεύς·
Tot hem nu ten antwoord sprak de wolkenverzamelaar Zeus:
“Ἠέλι᾽, ἦ τοι μὲν σὺ μετ᾽ ἀθανάτοισι φάεινε
“Zonnegod, waarachtig, voor de onsterfelijken moet jij schijnen.
καὶ θνητοῖσι βροτοῖσιν ἐπὶ ζείδωρον ἄρουραν·
en voor de sterfelijke stervelingen op het graanschenkende akkerland.
τῶν δέ κ᾽ ἐγὼ τάχα νῆα θοὴν ἀργῆτι κεραυνῷ
Van hen zal ik dra het snelle schip met mijn wtte bliksem,
τυτθὰ βαλὼν κεάσαιμι μέσῳ ἐνὶ οἴνοπι πόντῳ.
het kort en klein geslagen hebbend, splijten midden op de wijnkleurige zee”.
ταῦτα δ᾽ ἐγὼν ἤκουσα Καλυψοῦς ἠυκόμοιο·
Dat heb ik zelf gehoord van Kalypso met de mooie vlecht
ἡ δ᾽ ἔφη Ἑρμείαο διακτόρου αὐτὴ ἀκοῦσαι.
en die zei het van Hermes, de bode, zelf gehoord te hebben.

Alleen Odysseus overleeft een schipbreuk.

αὐτὰρ ἐπεί ῥ᾽ ἐπὶ νῆα κατήλυθον ἠδὲ θάλασσαν,
Toen ik dan naar het schip afgedaald was en de zee ,
νείκεον ἄλλοθεν ἄλλον ἐπισταδόν, οὐδέ τι μῆχος
schold ik ieder van weerskanten uit, op hen afgaand, en geen enkele uitweg
εὑρέμεναι δυνάμεσθα, βόες δ᾽ ἀποτέθνασαν ἤδη.
konden wij vinden, de runderen waren al dood.

τοῖσιν δ᾽ αὐτίκ᾽ ἔπειτα θεοὶ τέραα προύφαινον·
Meteen daarop toonden de goden hun wonderlijke tekens.
εἷρπον μὲν ῥινοί, κρέα δ᾽ ἀμφ᾽ ὀβελοῖσι μεμύκει,
Ze kropen voort, de huiden, de vleesstukken loeiden rond de braadspeten,
ὀπταλέα τε καὶ ὠμά, βοῶν δ᾽ ὣς γίγνετο φωνή.
zowel gebraden als rauw: als van runderen was er geluid.

ἑξῆμαρ μὲν ἔπειτα ἐμοὶ ἐρίηρες ἑταῖροι
Zes dagen daarna aten mijn trouwe makkers
δαίνυντ᾽ Ἠελίοιο βοῶν ἐλάσαντες ἀρίστας·
van Helios’ runderen, hebbend voortgedreven de beste.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ ἕβδομον ἦμαρ ἐπὶ Ζεὺς θῆκε Κρονίων,
Maar toen hij de zevende dag eraan toevoegde, Kronos’ zoon Zeus,
καὶ τότ᾽ ἔπειτ᾽ ἄνεμος μὲν ἐπαύσατο λαίλαπι θύων,
toen ging de wind dan toch stoppen met het razen van de storm.

ἡμεῖς δ᾽ αἶψ᾽ ἀναβάντες ἐνήκαμεν εὐρέι πόντῳ,
Wij, snel aan boord gegaan, stuurden de brede zee op,
ἱστὸν στησάμενοι ἀνά θ᾽ ἱστία λεύκ᾽ ἐρύσαντες.
na de mast geplaatst te hebben en de witte zeilen gehesen te hebben.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ τὴν νῆσον ἐλείπομεν, οὐδέ τις ἄλλη
Maar toen we het eiland verlaten hadden, en er geen
φαίνετο γαιάων, ἀλλ᾽ οὐρανὸς ἠδὲ θάλασσα,
van de andere landen zich vertoonde, alleen maar hemel en zee,
δὴ τότε κυανέην νεφέλην ἔστησε Κρονίων
toen: een donkere bewolking zond de zoon van Kronos
νηὸς ὕπερ γλαφυρῆς, ἤχλυσε δὲ πόντος ὑπ᾽ αὐτῆς.
boven ons gewelfde schip, donker werd de zee onder haar.
ἡ δ᾽ ἔθει οὐ μάλα πολλὸν ἐπὶ χρόνον· αἶψα γὰρ ἦλθε
Zij voer niet erg veel meer enige tijd, want al snel kwam
κεκληγὼς Ζέφυρος μεγάλῃ σὺν λαίλαπι θύων,
de gierende Westenwind, met een grote stormvlaag razend,
ἱστοῦ δὲ προτόνους ἔρρηξ᾽ ἀνέμοιο θύελλα
en de beide stagtouwen van de mast brak een stormvlaag van de wind;
ἀμφοτέρους· ἱστὸς δ᾽ ὀπίσω πέσεν, ὅπλα τε πάντα
en de mast viel achterover en alle tuigage
εἰς ἄντλον κατέχυνθ᾽. ὁ δ᾽ ἄρα πρυμνῇ ἐνὶ νηὶ
vloog omlaag in het ruim. Hij (de mast) op het achterdek
πλῆξε κυβερνήτεω κεφαλήν, σὺν δ᾽ ὀστέ᾽ ἄραξε
trof het hoofd van de stuurman, hij verbrijzelde de botten,
πάντ᾽ ἄμυδις κεφαλῆς· ὁ δ᾽ ἄρ᾽ ἀρνευτῆρι ἐοικὼς
alle tegelijk van het hoofd; hij, gelijkend op een duiker,
κάππεσ᾽ ἀπ᾽ ἰκριόφιν, λίπε δ᾽ ὀστέα θυμὸς ἀγήνωρ.
viel af van het dek, zijn dappere geest verliet zijn gebeente.
Ζεὺς δ᾽ ἄμυδις βρόντησε καὶ ἔμβαλε νηὶ κεραυνόν·
Tegelijkertijd donderde Zeus en smeet in het schip de bliksem;

ἡ δ᾽ ἐλελίχθη πᾶσα Διὸς πληγεῖσα κεραυνῷ,
en dat draaide helemaal rond, getroffen door de bliksem van Zeus,
ἐν δὲ θεείου πλῆτο, πέσον δ᾽ ἐκ νηὸς ἑταῖροι.
het werd met zwavel gevuld, en ze vielen van het schip, mijn makkers.
οἱ δὲ κορώνῃσιν ἴκελοι περὶ νῆα μέλαιναν
Ze werden als aalscholvers rond het donkere schip
κύμασιν ἐμφορέοντο, θεὸς δ᾽ ἀποαίνυτο νόστον.
door de golven meegevoerd; een god ontnam hun de terugkeer.

De kielbalk en mast worden losgeslagen. Odysseus bindt ze aan elkaar, klimt er op en en overleeft zo de schipbreuk. Na de Skylla en de Charybdis te hebben overleefd spoelt hij aan op het eiland Ogygia, waar Kalypso woont. De rest heeft hij al aan de Faiaken verteld.

Volgende
Terug

reageer