Go to content Go to navigation Go to search

Twee Afrikaanse handicaps · 3882 dagen geleden by Ad van den Ende

Nieuwkomers zijn vaak heel verbaasd dat er in Afrika zo weinig irrigatie is. Paul Harrison legt in “The greening of Africa” uit waarom dit zo is:
“Afrika’s overgang (van extensieve naar intensieve landbouw) is meer problematisch dan in welk ander gebied ook. De optie van irrigatie, zoals die in Azië wordt gekozen, is veel moeilijker. Op Oost-Afrika na is het Afrikaanse landschap in het algemeen vlak, en de rivieren zijn heel variabel in hun loop. Oppervlaktewater komt er minder voor, en het is er moeilijker om ondiep grondwater te vinden. De mogelijkheden van goedkope en eenvoudige irrigatie zijn beperkt.”

Terwijl hij over Afrika in het algemeen schrijft raakt de heer Harrison een punt aan dat in het bijzonder voor Kameroen opgaat.”Er is nog steeds genoeg land dat het voor boeren goedkoper en gemakkelijker maakt elke twee of drie jaar hun perceel te verplaatsen. De bevolkingsdichtheid heeft nog niet het punt bereikt waarop intensieve landbouw onvermijdelijk is. Maar ze heeft wel het punt bereikt waarop ecologische schade op grote schaal kan voorkomen als men doorgaat traditionele methoden toe te passen.”

Een andere Afrikaanse handicap die door de natuur wordt veroorzaakt, is de beruchte tsetse vlieg, die trypanosomiasis veroorzaakt, een ziekte die dodelijk is voor vee, paarden, kamelen en mensen. (Ezels en geiten hebben enige weerstand, maar zijn niet helemaal immuun.) De menselijke variant is bekend als slaapziekte, de dierlijke als ‘nagana’, een Zoeloe-uitdrukking. Er is een theorie – moeilijk te bewijzen, stel ik me voor – dat de tsetsevlieg het uiitsterven van de dinosaurussen en alle aanverwanten veroorzaakte. Hij dateert zeker al vanaf die tijd, en levert nu, net als de muskiet, het bewijs dat hij de moderne wetenschap te machtig kan zijn.

Tussen 1925 en 1960 werd er in de strijd er tegen enige vooruitgang geboekt, maar toen de Blanken naar huis gingen, en de tsetsevlieg zijn aanpassingsvermogen verbeterde, ging het de verkeerde kant op. Rond 1960 was het aantal slachtoffers van slaapziekte in Nigeria teruggebracht van 11 procent tot 0,15 procent van de bevolking, en ook in Zaïre was de ziekte bijna uitgeroeid. Nu echter is het ziektecijfer in deze beide landen – evenals in Zimbabwe, Angola en Zambia – bijna terug op het prekoloniale niveau.

In 1849 zag dr. David Livingstone de tsetsevlieg als ‘een hinderpaal voor de vooruitgang van Afrika’. Er is wel geen enkele andere bevolking waarvan de geschiedenis en ontwikkeling zo beïnvloed zijn door één insect. Heel zwart Afrika zou waarschijnlijk tot de Islam bekeerd zijn, en dus een geschreven taal hebben gekregen, als de binnenvallende Arabieren niet achteruit waren geweken toen hun kamelen en paarden bij honderden tegelijk stierven. Duizenden jaren lang bleef de handel in ernstige mate beperkt door het tekort aan lastdieren. Er zijn grenzen aan wat zelfs een Afrikaan op zijn hoofd kan dragen. Het met de hand ploegen, dat op iedereen die gewend is aan de Aziatische ossenkoppels zo’n achterlijke indruk maakt, is het onvermijdelijke gevolg van ‘nagana’. En nu bedreigt dit zelfs het overleven van Afrika.

‘Nagana’ verhindert het gemengde boerenbedrijf, met een regelmatig aanbod van gratis mest, in ongeveer zes miljoen vierkante kilometer van Midden-Afrika. Dit gebied zou anders in staat zijn meer dan honderd miljoen stuks rundvee te voeden, en een even groot aantal schapen en geiten, en zo vlees en melk produceren met een waarde van 50 miljard dollar per jaar.

In Kameroen waren ongeveer 13000 vierkante kilometer verlost van de vlieg, maar die zijn nu opnieuw besmet. Daarom is er alleen rundvee op de hoog gelegen weilanden, ver van de bewerkte velden, die, niet bemest (of op zijn best onvoldoende bemest) slechts twee of drie jaar een goede opbrengst geven. Vandaar dat er extensieve in plaats van intensieve landbouw wordt bedreven, met verhuizing als de enig mogelijke bescherming tegen de dood van het land.

Niettegenstaande alle lokale milieu-catastrofes waren wij die ochtend in een van de uithoeken van Afrika die op landbouwgebied het meest bevoorrecht waren. Er was niets ‘typisch’ aan dit dichtbevolkte gebied van gezonde, hardwerkende boeren – zo hard werkend dat zij nergens een sprietje gras voor de arme Egbert hadden overgelaten.
Onze binnendoor-weggetjes naar Kumbo hebben de afstand eerder langer dan korter gemaakt. Maar er was druk verkeer op de hoofdweg (ongeveer elk half uur een auto), en deze rustige wegen leidden ons door een aangename mix van dicht-beboste heuvels, vruchtbare dalen, uitgestrekte koffieplantages en schaduwrijke kolanoot-stalletjes.

Uit een nederzetting kwam een wat oudere Fulani haastig toegelopen om Egbert te bewonderen. Hij gaf me een handvol kolanoten. Je moet ze leren waarderen; ze hebben een licht stimulerende werking. We waren nog niet aan de smaak gewend, maar waren wel zo verstandig om ze op te bergen voor een volgende regenachtige avond. De inheemse kolanoot wordt in dit gebied al duizenden jaren gebruikt, en was het voornaamste uitvoergewas voor de invoering van koffie.

Volgende
Terug