Go to content Go to navigation Go to search

A. In het Duitse concentratiekamp · 3127 dagen geleden by Ad van den Ende

Voor het eerst sinds het tweede congres van de Komintern 1 kreeg de oude bolsjewiek 2 Mostovskoj hier de kans om zijn talenkennis te gebruiken. In het kamp waren mensen van zesenvijftig verschillende nationaliteiten. Ze waren in vier groepen ingedeeld, te herkennen aan de kleur van de strook stof die op hun jasje was genaaid: rood voor de politieke gevangenen, zwart voor de saboteurs, lila voor de Duitsers die uit het fascistische Duitsland waren vertrokken, en groen voor de dieven en moordenaars.

Er was niet veel voor nodig om als politieke gevangene in het kamp terecht te komen: een politieke anekdote, of een kritische opmerking over het Hitler-regime was al voldoende. ‘Saboteurs’ waren degenen die hadden geprobeerd zich aan het werk op de bouwterreinen of in de militaire fabrieken te onttrekken. Ook de emigranten werden tot de politieke vijanden gerekend.

De dieven en moordenaars hielden toezicht op de politieke gevangenen. Zij tiranniseerden hen. Zij bepaalden ook wie op de selectielijsten werden gezet om te worden ondervraagd of te worden afgevoerd naar de crematoria.

Het kamp, met zijn tientallen identieke barakken, leek op een kleine stad. Iedere morgen marcheerden duizenden gevangenen de poort uit naar hun werk: twaalf uur veen spitten per dag, in ruil voor een kom watersoep.
Treinen reden af en aan, met goederen en mensen. Boven de crematoria hing ‘een gekmakende purperrood-zwarte gloed’.

Mostovski was op een nacht aan de rand van Stalingrad aangehouden en op transport gesteld naar dit kamp, ergens in Duitsland. Hij was ondergebracht in een blok voor gevangenen waar de Gestapo bijzondere belangstelling voor had.

Op een dag maakte hij kennis met de ‘heilige dwaas’ Ikοnnikοv-Mοrzj. Diens voorouders waren priesters geweest sinds de tijd van Peter de Grote. Maar Ikonnikov en zijn broers hadden een wereldlijke opleiding gekregen. Ikonnikov had gestudeerd aan het Technologisch instituut van Sint-Petersburg, was daar in de ban geraakt van Tolstoj, en was tijdens het laatste jaar van zijn studie gestopt.

Hij was volksonderwijzer geworden in een klein dorp in het noorden van Rusland. Na acht jaar was hij daar weggegaan en verhuisd naar Odessa. Daar werd hij mecanicien in de machinekamer van een vrachtschip en
reisde de hele wereld rond. Hij keerde terug naar Rusland toen daar de revolutie voorbij was en sloot zich aan bij een boerencommune. Hij was er van overtuigd dat de communistisch bedreven landbouw het Rijk Gods op aarde dichterbij zou brengen.

Hij had gezien hoe de families van de onteigende koelakken in treinen werden gestouwd. Uitgeputte mensen vielen in de sneeuw om nooit meer op te staan. Van hele dorpen waren de ramen en deuren dichtgetimmerd. Mensen werden gek van honger en vervielen tot kannibalisme. Hij was begonnen het evangelie te verkondigen en voor het heil van de koelakken te bidden. Hij werd gearresteerd. Omdat de verschrikkingen zijn verstand hadden aangetast werd hij opgesloten in de psychiatrische afdeling van de gevangenis. Na een jaar kwam hij vrij. Een broer hielp hem aan een baan in een bibliotheek.

Toen de Duitsers Wit-Rusland bezetten begon daar de vervolging van de Joden. Hij keek toe hoe twintigduizend Joden: vrouwen, kinderen en oude mensen, werden geëxecuteerd. ‘Die dag begreep ik dat God zoiets niet kon toelaten en ik zag in dat hij niet bestond.’ Hij smeekte kennissen en onbekenden om Joden te verbergen, en probeerde ook zelf Joodse vrouwen en kinderen te redden. Hij werd verraden. Zo belandde hij in het kamp. Hij was tot de slotsom gekomen dat overal, waar geweld werd gebruikt, verdriet heerste en bloed vloeide. De collectivisatie werd doorgevoerd in naam van het Goede. ‘Ik geloof niet in het goede, ik geloof in goedheid.’

1. De Communistische of Derde Internationale, in het Russisch afgekort tot Comintern (of Komintern), was een wereldwijd samenwerkingsverband van communistische partijen onder aanvoering van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU). Het oprichtingscongres vond plaats in Moskou van 2 tot 6 maart 1919.
2. Bolsjewieken, ‘roden’: de communisten;
Mensjewieken, de ‘witten’: hun vijanden

Personen:
Mostovskoj, Michail Sidorovitsj, een oude bolsjewiek
de ‘heilige dwaas’ Ikοnnikοv-Mοrzj.

Terug

reageer