Go to content Go to navigation Go to search

b. Nausikaä vraagt om een wagen en gaat op weg · 3650 dagen geleden by Ad van den Ende

αὐτίκα δ᾽ Ἠὼς ἦλθεν ἐύθρονος, ἥ μιν ἔγειρε
Dadelijk verscheen de Dageraad op haar mooie troon; zij wekte haar,
Ναυσικάαν ἐύπεπλον· ἄφαρ δ᾽ ἀπεθαύμασ᾽ ὄνειρον,
de mooi geklede Naisikaä; meteen verbaasde deze zich over de droom.
βῆ δ᾽ ἰέναι διὰ δώμαθ᾽, ἵν᾽ ἀγγείλειε τοκεῦσιν,
Zij ging op weg door het paleis om te praten met haar ouders,
πατρὶ φίλῳ καὶ μητρί· κιχήσατο δ᾽ ἔνδον ἐόντας·
haar lieve vader en moeder; zij trof hen aan terwijl zij binnen waren.

ἡ μὲν ἐπ᾽ ἐσχάρῃ ἧστο σὺν ἀμφιπόλοισι γυναιξὶν
Zij (haar moeder) zat bij de haard met de dienaressen,
ἠλάκατα στρωφῶσ᾽ ἁλιπόρφυρα· τῷ δὲ θύραζε
(aan het spinrokken) wol draaiend, wit als de schuimende zee. Hem (haar vader) ontmoette ze toen hij naar buiten
ἐρχομένῳ ξύμβλητο μετὰ κλειτοὺς βασιλῆας
ging, (op weg) naar beroemde vorsten,
ἐς βουλήν, ἵνα μιν κάλεον Φαίηκες ἀγαυοί.
naar een vergadering waarheen hem riepen de fiere Faiaken.

ἡ δὲ μάλ᾽ ἄγχι στᾶσα φίλον πατέρα προσέειπε·
Zij ging heel dicht bij haar lieve vader staan en zei tegen hem:
“πάππα φίλ᾽, οὐκ ἂν δή μοι ἐφοπλίσσειας ἀπήνην
“Lieve papa, zou u voor mij niet de wagen in gereedheid willen brengen,
ὑψηλὴν ἐύκυκλον, ἵνα κλυτὰ εἵματ᾽ ἄγωμαι
die hoge met goede wielen, opdat ik de prachtige kleren breng
ἐς ποταμὸν πλυνέουσα, τά μοι ῥερυπωμένα κεῖται;
naar de rivier om te wassen, (de kleren) die er nu vuil bij liggen?
καὶ δὲ σοὶ αὐτῷ ἔοικε μετὰ πρώτοισιν ἐόντα.
Ook voor uzelf past het om, wanneer u temidden van de aanzienlijken zit
βουλὰς βουλεύειν καθαρὰ χροΐ εἵματ᾽ ἔχοντα.
om over plannen te beraadslagen, schone kleren aan je lichaam te hebben.

πέντε δέ τοι φίλοι υἷες ἐνὶ μεγάροις γεγάασιν,
Er zijn u vijf lieve zonen in het paleis geboren,
οἱ δύ᾽ ὀπυίοντες, τρεῖς δ᾽ ἠίθεοι θαλέθοντες·
twee er van zijn getrouwd, drie zijn vrijgezellen in de bloei van hun leven;
οἱ δ᾽ αἰεὶ ἐθέλουσι νεόπλυτα εἵματ᾽ ἔχοντες
zij willen altijd met pasgewassen kleren aan
ἐς χορὸν ἔρχεσθαι· τὰ δ᾽ ἐμῇ φρενὶ πάντα μέμηλεν.”
naar de dansvloer gaan. Dat alles is iets dat mij zeer ter harte gaat.”

ὣς ἔφατ᾽· αἴδετο γὰρ θαλερὸν γάμον ἐξονομῆναι
Zo sprak ze; want ze geneerde zich het aanstaande huwelijk met name te noemen
πατρὶ φίλῳ. ὁ δὲ πάντα νόει καὶ ἀμείβετο μύθῳ·
tegenover haar lieve vader; maar hij begreep alles en antwoordde:
“οὔτε τοι ἡμιόνων φθονέω, τέκος, οὔτε τευ ἄλλου.
“De muilezels misgun ik je niet, kind, noch al het andere.
ἔρχευ· ἀτάρ τοι δμῶες ἐφοπλίσσουσιν ἀπήνην
Ga je gang; maar slaven zullen de wagen in gereedheid brengen,
ὑψηλὴν ἐύκυκλον, ὑπερτερίη ἀραρυῖαν.”
die hoge met mooie wielen, die van een wagenbak voorzien is .”
ὣς εἰπὼν δμώεσσιν ἐκέκλετο, τοὶ δ᾽ ἐπίθοντο.
Na zo gesproken te hebben gaf hij aan de slaven bevelen; zij gehoorzaamden hem.

οἱ μὲν ἄρ᾽ ἐκτὸς ἄμαξαν ἐύτροχον ἡμιονείην
Ze brachten buiten de muilezelwagen met goede wielen
ὥπλεον, ἡμιόνους θ᾽ ὕπαγον ζεῦξάν θ᾽ ὑπ᾽ ἀπήνῃ·
in gereedheid, brachten de muilezels onder het juk en spanden ze in voor de wagen.
κούρη δ᾽ ἐκ θαλάμοιο φέρεν ἐσθῆτα φαεινήν.
Het meisje droeg de schitterende kleding uit de bergkamer,
καὶ τὴν μὲν κατέθηκεν ἐυξέστῳ ἐπ᾽ ἀπήνῃ,
en legde die op de goedgeschaafde wagen.

μήτηρ δ᾽ ἐν κίστῃ ἐτίθει μενοεικέ᾽ ἐδωδὴν
Haar moeder deed in een mand een ruime etensvoorraad,
παντοίην, ἐν δ᾽ ὄψα τίθει, ἐν δ᾽ οἶνον ἔχευεν
goed gesorteerd, deed er hapjes bij, en goot wijn
ἀσκῷ ἐν αἰγείῳ· κούρη δ᾽ ἐπεβήσετ᾽ ἀπήνης.
in een geitenleren zak; het meisje klom op de kar;
δῶκεν δὲ χρυσέῃ ἐν ληκύθῳ ὑγρὸν ἔλαιον,
zij (haar moeder) gaf haar in een gouden flesje vochtige olijfolie,
ἧος χυτλώσαιτο σὺν ἀμφιπόλοισι γυναιξίν.
opdat zij zich met olie in zou wrijven, zij en de slavinnen.

ἡ δ᾽ ἔλαβεν μάστιγα καὶ ἡνία σιγαλόεντα,
Zij pakte de zweep en de glanzende teugels,
μάστιξεν δ᾽ ἐλάαν· καναχὴ δ᾽ ἦν ἡμιόνοιιν.
en sloeg met de zweep om (de muilezels) aan te drijven. Er was (hoorbaar) het getrappel van de twee muilezels.
αἱ δ᾽ ἄμοτον τανύοντο, φέρον δ᾽ ἐσθῆτα καὶ αὐτήν,
Zij draafden in pittige draf, vervoerden de kleren en ook haar;
οὐκ οἴην, ἅμα τῇ γε καὶ ἀμφίπολοι κίον ἄλλαι.
zij was niet alleen; met haar gingen ook de anderen, de dienaressen.

Volgende

Terug