Go to content Go to navigation Go to search

Odysseus ontmoet Telemachos · 616 dagen geleden by Ad van den Ende

Odysseus zegt dat hij afkomstig is van Kreta. Dan volgt een verhaal vol leugens en halve waarheden. Hij zegt dat hij Odysseus ontmoet heeft, en dat deze naar Ithaka onderweg is.

Athene instrueert Telemachos in Sparta.

Athene zegt tegen Telemachus dat hij ‘s nacht naar Ithaka moet varen en naar de zwijnhoeder moet gaan. Deze moet naar Penelope gaan om te zeggen dat Telemachus weer veilig op Ithaka is.

De zwijnenhoeder Eumaios verwelkomt Telemachos.

τὼ δ᾽ αὖτ᾽ ἐν κλισίῃ Ὀδυσεὺς καὶ δῖος ὑφορβὸς
Zij beiden in de hut, Odysseus en de geweldige zwijnhoeder,
ἐντύνοντο ἄριστον ἅμ᾽ ἠοῖ, κηαμένω πῦρ,
maakten klaar het ontbijt bij dageraad, na ontstoken te hebben een vuur;
ἔκπεμψάν τε νομῆας ἅμ᾽ ἀγρομένοισι σύεσσι·
zij hadden weggestuurd herders met de verzamelde zwijnen.

Τηλέμαχον δὲ περίσσαινον κύνες ὑλακόμωροι,
Rond Telemachos kwispelden graag blaffende honden,
οὐδ᾽ ὕλαον προσιόντα. νόησε δὲ δῖος Ὀδυσσεὺς
maar ze blaften niet toen hij naderde; de goddelijke Odysseus merkte
σαίνοντάς τε κύνας, περί τε κτύπος ἦλθε ποδοῖϊν.
de kwispelende honden, er naderde het geluid van voetstappen.

αἶψα δ᾽ ἄρ᾽ Εὔμαιον ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
Snel sprak hij tegen Eumaios de gevleugelde woorden:
“Εὔμαι᾽, ἦ μάλα τίς τοι ἐλεύσεται ἐνθάδ᾽ ἑταῖρος
“Eumaios, daar komt vast iemand aan, een knecht
ἢ καὶ γνώριμος ἄλλος, ἐπεὶ κύνες οὐχ ὑλάουσιν,
of een andere bekende, want de honden blaffen niet,
ἀλλὰ περισσαίνουσι· ποδῶν δ᾽ ὑπὸ δοῦπον ἀκούω.”
maar lopen kwispelend rond; van voeten hoor ik het geluid”.

οὔ πω πᾶν εἴρητο ἔπος, ὅτε οἱ φίλος υἱὸς
Nog niet was het woord geheel gezegd toen zijn geliefde zoon
ἔστη ἐνὶ προθύροισι. ταφὼν δ᾽ ἀνόρουσε συβώτης,
stond in het voorportaal. Verbaasd rees de zwijnhoeder op,
ἐκ δ᾽ ἄρα οἱ χειρῶν πέσον ἄγγεα, τοῖς ἐπονεῖτο,
uit zijn handen vielen de kommen waarmee hij bezig was.
κιρνὰς αἴθοπα οἶνον. ὁ δ᾽ ἀντίος ἦλθεν ἄνακτος,
mengend fonkelende wijn; hij kwam zijn meester tegemoet,
κύσσε δέ μιν κεφαλήν τε καὶ ἄμφω φάεα καλὰ
en kuste hem op hoofd en op beide mooie ogen
χεῖράς τ᾽ ἀμφοτέρας· θαλερὸν δέ οἱ ἔκπεσε δάκρυ.
en beide handen; en overvloedige tranen ontglipten hem.

ὡς δὲ πατὴρ ὃν παῖδα φίλα φρονέων ἀγαπάζῃ
Zoals een vader zijn zoon innig begroet
ἐλθόντ᾽ ἐξ ἀπίης γαίης δεκάτῳ ἐνιαυτῷ,
wanneer die is gekomen uit een afgelegen land in het tiende jaar,
μοῦνον τηλύγετον, τῷ ἔπ᾽ ἄλγεα πολλὰ μογήσῃ,
zijn enige, laatgeboren zoon, om wie hij veel smarten heeft geleden,
ὣς τότε Τηλέμαχον θεοειδέα δῖος ὑφορβὸς
zó kuste toen de trouwe zwijnhoeder de godgelijkende Telemachos
πάντα κύσεν περιφύς, ὡς ἐκ θανάτοιο φυγόντα·
overal, hem omhelsd hebbend, als een uit de dood ontsnapte.

καί ῥ᾽ ὀλοφυρόμενος ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
En zeer ontroerd sprak hij de gevleugelde woorden:
“ἦλθες, Τηλέμαχε, γλυκερὸν φάος. οὔ σ᾽ ἔτ᾽ ἐγώ γε
“Je bent teruggekomen! Telemachos, licht van mijn ogen. Niet meer
ὄψεσθαι ἐφάμην, ἐπεὶ ᾤχεο νηῒ Πύλονδε.
dacht ik jou te zien, toen je wegging met het schip naar Pylos.
ἀλλ᾽ ἄγε νῦν εἴσελθε, φίλον τέκος, ὄφρα σε θυμῷ
Maar vooruit, kom nu binnen, mijn jongen, opdat ik in mijn hart van je
τέρψομαι εἰσορόων νέον ἄλλοθεν ἔνδον ἐόντα.
zal genieten, je ziende, nu je net van elders weer thuis bent;
οὐ μὲν γάρ τι θάμ᾽ ἀγρὸν ἐπέρχεαι οὐδὲ νομῆας,
want niet vaak ga je naar het platteland noch naar de herders
ἀλλ᾽ ἐπιδημεύεις· ὣς γάρ νύ τοι εὔαδε θυμῷ
maar je blijft in de stad, want zozeer zeker behaagde het je hart
ἀνδρῶν μνηστήρων ἐσορᾶν ἀΐδηλον ὅμιλον.”
van de mannen vrijers te zien de afschuwelijke menigte!”

τὸν δ᾽ αὖ Τηλέμαχος πεπνυμένος ἀντίον ηὔδα·
Hem antwoordde daarop de verstandige Telemachos:
“ἔσσεται οὕτως, ἄττα· σέθεν δ᾽ ἕνεκ᾽ ἐνθάδ᾽ ἱκάνω,
“Het zal zo wel zijn, vadertje; om jou ben ik hierheen gekomen,
ὄφρα σέ τ᾽ ὀφθαλμοῖσιν ἴδω καὶ μῦθον ἀκούσω,
opdat ik je met mijn eigen ogen zie en je verhaal zal horen
μοι ἔτ᾽ ἐν μεγάροις μήτηρ μένει, ἦέ τις ἤδη
of mijn moeder nog in het paleis verblijft, of dat al iemand
ἀνδρῶν ἄλλος ἔγημεν, Ὀδυσσῆος δέ που εὐνὴ
anders van de mannen haar huwde, of dat wellicht het bed van Odysseus
χήτει ἐνευναίων κάκ᾽ ἀράχνια κεῖται ἔχουσα.”
door gebrek aan beslapers er staat, vieze spinnenwebben hebbend.

τὸν δ᾽ αὖτε προσέειπε συβώτης, ὄρχαμος ἀνδρῶν·
Tot hem sprak daarop de zwijnhoeder, leider van mannen:
“καὶ λίην κείνη γε μένει τετληότι θυμῷ
“Wel zeker verblijft zij, met een standvastig hart
σοῖσιν ἐνὶ μεγάροισιν· ὀϊζυραὶ δέ οἱ αἰεὶ
in uw paleis, nog altijd ellendig
φθίνουσιν νύκτες τε καὶ ἤματα δάκρυ χεούσῃ.”
verstrijken haar nachten en dagen, terwijl ze tranen vergiet”.
ὣς ἄρα φωνήσας οἱ ἐδέξατο χάλκεον ἔγχος·
Zo dus gesproken hebbend nam hij van hem aan de bronzen speer.

αὐτὰρ ὅ γ᾽ εἴσω ἴεν καὶ ὑπέρβη λάϊνον οὐδόν.
Hij ging naar binnen en stapte over de stenen drempel.
τῷ δ᾽ ἕδρης ἐπιόντι πατὴρ ὑπόειξεν Ὀδυσσεύς·
Voor hem, toen hij de zitplaats naderde, stond vader Odysseus op;
Τηλέμαχος δ᾽ ἑτέρωθεν ἐρήτυε φώνησέν τε·
maar Telemachos van de andere kant hield hem tegen en sprak:
“ἧσ᾽, ὦ ξεῖν᾽· ἡμεῖς δὲ καὶ ἄλλοθι δήομεν ἕδρην
“Blijf zitten, vreemdelimg, ook elders zullen wij wel vinden een zitplaats
σταθμῷ ἐν ἡμετέρῳ· πάρα δ᾽ ἀνὴρ ὃς καταθήσει.”
in onze hoeve: hier is de man die hem neer zal zetten.”

Telemachos vraagt Eumaios wie de vreemdeling is, en waar hij vandaan komt. Eumaios vertelt het verhaal dat Odysseus hem opgedist heeft. Hij stelt Telemachos voor dat die hem meeneemt naar het paleis. Telemachos heeft daar bezwaar tegen. De vrijers zullen hem lastig vallen. Hij beveelt Eumaios naar Penelope te gaan en haar in het geheim in te lichten dat Telemachos behouden is teruggekeerd. Een betrouwbare dienares moet dat nieuws aan Odysseus’ vader Laërtes mee gaan delen. Dan moet Eumaios terug komen.

Transformatie van Odysseus en herkenning.

ἦ ῥα καὶ ὦρσε συφορβόν· ὁ δ᾽ εἵλετο χερσὶ πέδιλα,
Zo sprak hij, en hij bracht de zwijnhoeder in beweging; die nam zijn sandalen in de handen;
δησάμενος δ᾽ ὑπὸ ποσσὶ πόλινδ᾽ ἴεν. οὐδ᾽ ἄρ᾽ Ἀθήνην
na ze onder zijn voeten gebonden te hebben ging hij naar de stad. Niet aan Athene
λῆθεν ἀπὸ σταθμοῖο κιὼν Εὔμαιος ὑφορβός,
ontging het dat hij zijn hut had verlaten, de zwijnhoeder Eumaios:

ἀλλ᾽ ἥ γε σχεδὸν ἦλθε· δέμας δ᾽ ἤϊκτο γυναικὶ
zij kwam dichterbij, in gestalte leek zij een vrouw,
καλῇ τε μεγάλῃ τε καὶ ἀγλαὰ ἔργα ἰδυίῃ.
mooi en groot, in schitterend handwerk bedreven,
στῆ δὲ κατ᾽ ἀντίθυρον κλισίης Ὀδυσῆϊ φανεῖσα·
en bleef staan tegenover de deur van de hut, zich alleen aan Odysseus vertonend,
οὐδ᾽ ἄρα Τηλέμαχος ἴδεν ἀντίον οὐδ᾽ ἐνόησεν,
maar Telemachos zag haar niet voor zich en merkte haar niet,
οὐ γὰρ πω πάντεσσι θεοὶ φαίνονται ἐναργεῖς,
want niet aan allen verschijnen de goden herkenbaar,

ἀλλ᾽ Ὀδυσεύς τε κύνες τε ἴδον, καί ῥ᾽ οὐχ ὑλάοντο
maar Odysseus en ook de honden zagen haar, en die blaften niet
κνυζηθμῷ δ᾽ ἑτέρωσε διὰ σταθμοῖο φόβηθεν.
maar met gejank vluchtten die naar de andere kant door de hoeve.
ἡ δ᾽ ἄρ᾽ ἐπ᾽ ὀφρύσι νεῦσε· νόησε δὲ δῖος Ὀδυσσεύς,
Zij nu gaf met haar wenkbrauwen een knikje, de goddelijke Odysseus mekte het
ἐκ δ᾽ ἦλθεν μεγάροιο παρὲκ μέγα τειχίον αὐλῆς,
en hij ging de hut uit langs de grote muur van de hof naar buiten.

στῆ δὲ πάροιθ᾽ αὐτῆς· τὸν δὲ προσέειπεν Ἀθήνη·
Hij bleef voor haar staan; tot hem sprak Athene:
“διογενὲς Λαερτιάδη, πολυμήχαν᾽ Ὀδυσσεῦ.
“Van Zeus afstammende zoon van Laërtes, listenrijke Odysseus:
ἤδη νῦν σῷ παιδὶ ἔπος φάο μηδ᾽ ἐπίκευθε,
spreek nu eindelijk tot je zoon een woord en verberg het niet
ὡς ἄν μνηστῆρσιν θάνατον καὶ κῆρ᾽ ἀραρόντε
opdat jullie, na voor de vrijers dood en verderf beraamd te hebben,
ἔρχησθον προτὶ ἄστυ περικλυτόν· οὐδ᾽ ἐγὼ αὐτὴ
beiden gaan naar de vermaarde stad; en ik zelf zal niet
δηρὸν ἀπὸ σφῶϊν ἔσομαι μεμαυῖα μάχεσθαι.”
lang ver van jullie zijn, verlangend te vechten”.

ἦ καὶ χρυσείῃ ῥάβδῳ ἐπεμάσσατ᾽ Ἀθήνη.
Dat zei ze, en met haar gouden staf raakte Athene hem aan;
φᾶρος μέν οἱ πρῶτον ἐϋπλυνὲς ἠδὲ χιτῶνα
eerst een mantel, goed gewassen, en een onderkleed
θῆκ᾽ ἀμφὶ στήθεσσι, δέμας δ᾽ ὤφελλε καὶ ἥβην.
legde zij rond zijn borst, zijn lichaamsbouw maakte zij groter en zijn jeugdige gestalte.
ἂψ δὲ μελαγχροιὴς γένετο, γναθμοὶ δὲ τάνυσθεν,
Hij werd weer iemand met een donkere huidskleur en zijn kaken werden strak,
κυάνεαι δ᾽ ἐγένοντο γενειάδες ἀμφὶ γένειον.
en donker werden de baardharen rond zijn kin.
ἡ μὲν ἄρ᾽ ὣς ἔρξασα πάλιν κίεν· αὐτὰρ Ὀδυσσεὺς
Zij, na zo gehandeld te hebben, ging weer, maar Odysseus
ἤϊεν ἐς κλισίην· θάμβησε δέ μιν φίλος υἱός,
ging in de hut: hij keek hem verbaasd aan, zijn dierbare zoon,
ταρβήσας δ᾽ ἑτέρωσε βάλ᾽ ὄμματα, μὴ θεὸς εἴη,
geshrokken richtte hij zijn ogen naar de andere kant, bang dat hij een god was,
καί μιν φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
en tot hem het woord nemend sprak hij de gevleugelde woorden:

“ἀλλοῖός μοι, ξεῖνε, φάνης νέον ἠὲ πάροιθεν,
“Heel anders, vriend, dan tevoren kom je mij voor,
ἄλλα δὲ εἵματ᾽ ἔχεις, καί τοι χρὼς οὐκέθ᾽ ὁμοῖος.
andere kleren heb je en je huid is ook niet meer gelijk.
ἦ μάλα τις θεός ἐσσι, τοὶ οὐρανὸν εὐρὺν ἔχουσιν·
Waarachtig, je bent een god, die de brede hemel bewonen!
ἀλλ᾽ ἵληθ᾽, ἵνα τοι κεχαρισμένα δώομεν ἱρὰ
Maar wees ons dan genadig, opdat we u welgevallige offers geven
ἠδὲ χρύσεα δῶρα, τετυγμένα· φείδεο δ᾽ ἡμέων”
en gouden geschenken, kunstig vervaardigd, en spaar ons!”

τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα πολύτλας δῖος Ὀδυσσεύς·
Hem antwoordde vervolgens de onversaagde stralende Odysseus:
“οὔ τίς τοι θεός εἰμι· τί μ᾽ ἀθανάτοισιν ἐΐσκεις;
“Helemaal niet ben ik een god, waarom stel je me gelijk aan de onsterfelijken?
ἀλλὰ πατὴρ τεός εἰμι, τοῦ εἵνεκα σὺ στεναχίζω
Nee, ik ben je vader, om wie jij zuchtend
πάσχεις ἄλγεα πολλά, βίας ὑποδέγμενος ἀνδρῶν.”
veel smarten doorstaat, gewelddaden verdurend van mannen”.

ὣς ἄρα φωνήσας υἱὸν κύσε, κὰδ δὲ παρειῶν
Zo gesproken hebbend kuste hij zijn zoon en van zijn wangen
δάκρυον ἧκε χαμᾶζε· πάρος δ᾽ ἔχε νωλεμὲς αἰεί.
liet hij tranen op de grond vallen; eerst hield hij ze tegen voortdurend, steeds.

Τηλέμαχος δ᾽, οὐ γάρ πω ἐπείθετο ὃν πατέρ᾽ εἶναι,
Maar Telemachos – want nog geloofde hij niet dat het zijn vader was – ἐξαῦτίς μιν ἔπεσσιν ἀμειβόμενος προσέειπεν·
opnieuw met woorden antwoordend sprak tot hem:
“οὐ σύ γ᾽ Ὀδυσσεύς ἐσσι, πατὴρ ἐμός, ἀλλά με δαίμων
“Jij bent Odysseus niet, mijn vader, nee, een godheid
θέλγει, ὄφρ᾽ ἔτι μᾶλλον ὀδυρόμενος στεναχίζω.
betovert me, opdat ik nog meer, al jammerend, zucht.
οὐ γάρ πως ἂν θνητὸς ἀνὴρ τάδε μηχανόῳτο
Geenszins immers kan een sterfelijke man dit klaar spelen
ᾧ αὐτοῦ γε νόῳ, ὅτε μὴ θεὸς αὐτὸς ἐπελθὼν
door eigen bedenksel, tenzij een god zelf er bij gekomen
ῥηϊδίως ἐθέλων θείη νέον ἠὲ γέροντα.
gemakkelijk, als hij dat wil, hem jong of oud maakt.
ἦ γάρ τοι νέον ἦσθα γέρων καὶ ἀεικέα ἕσσο·
Want heus, zoëven was u oud en had u lompen aan;
νῦν δὲ θεοῖσιν ἔοικας, οἳ οὐρανὸν εὐρὺν ἔχουσι.”
maar nu lijkt u op goden die de wijde hemel bewonen”

τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πολύμητις Ὀδυσσεύς·
Antwoordend sprak de listenrijke Odysseus tot hem:
“Τηλέμαχ᾽, οὔ σε ἔοικε φίλον πατέρ ἔνδον ἐόντα
“Telemachos, het past je niet, terwijl je dierbare vader hier binnen is,
οὔτε τι θαυμάζειν περιώσιον οὔτ᾽ ἀγάασθαι·
je te verwonderen bovenmate noch ontsteld te zijn.
οὐ μὲν γάρ τοι ἔτ᾽ ἄλλος ἐλεύσεται ἐνθάδ᾽ Ὀδυσσεύς,
Er zal hier heus niet nog een andere Odysseus opduiken,
ἀλλ᾽ ὅδ᾽ ἐγὼ τοιόσδε, παθὼν κακά, πολλὰ δ᾽ ἀληθείς,
nee, ik ben het werkelijk; na rampen meegemaakt en veel gezworven te hebben
ἤλυθον εἰκοστῷ ἔτεϊ ἐς πατρίδα γαῖαν.
kwam ik in het twintigste jaar in mijn vaderland.

αὐτάρ τοι τόδε ἔργον Ἀθηναίης ἀγελείης,
Maar dit hier is het werk van de krijgshaftige Athene
ἥ τέ με τοῖον ἔθηκεν, ὅπως ἐθέλει, δύναται γὰρ,
die mij zo maakte als zij dat wil, want dat kan ze:
ἄλλοτε μὲν πτωχῷ ἐναλίγκιον, ἄλλοτε δ᾽ αὖτε
nu eens op een bedelaar gelijkend, dan weer
ἀνδρὶ νέῳ καὶ καλὰ περὶ χροῒ εἵματ᾽ ἔχοντι.
op een jonge man met aan zijn lijf mooie kleren hebbend.
ῥηΐδιον δὲ θεοῖσι, τοὶ οὐρανὸν εὐρὺν ἔχουσιν,
Dat is gemakkelijk voor goden, die de wijde hemel bewonen:
ἠμὲν κυδῆναι θνητὸν βροτὸν ἠδὲ κακῶσαι.”
zowel luister te verlenen aan een sterfelijk mens als hem toe te takelen.”

ὣς ἄρα φωνήσας κατ᾽ ἄρ᾽ ἕζετο, Τηλέμαχος δὲ
Zo gesproken hebbend ging hij zitten, maar Telemachos,
ἀμφιχυθεὶς πατέρ᾽ ἐσθλὸν ὀδύρετο, δάκρυα λείβων,
omhelzend zijn nobele vader huilde, tranen vergietend,
ἀμφοτέροισι δὲ τοῖσιν ὑφ᾽ ἵμερος ὦρτο γόοιο·
bij beiden kwam het verlangen op naar geween;
κλαῖον δὲ λιγέως, ἀδινώτερον ἤ τ᾽ οἰωνοί,
en zij huilden voluit, heftiger dan roofvogels,
φῆναι ἢ αἰγυπιοὶ γαμψώνυχες, οἷσί τε τέκνα
zeearenden of kromklauwige gieren, bij wie ze de jongen
ἀγρόται ἐξείλοντο πάρος πετεηνὰ γενέσθαι·
wegnamen, de boeren, voordat die gevleugeld werden;
ὣς ἄρα τοί γ᾽ ἐλεεινὸν ὑπ᾽ ὀφρύσι δάκρυον εἶβον.
Zulke meelijwekkende tranen vergoten zij van onder hun wenkbrauwen.

καί νύ κ᾽ ὀδυρομένοισιν
En nu zou voor hen, al jammerend,
ἔδυ φάος ἠελίοιο,
zijn ondergegaan het licht van de zon
εἰ μὴ Τηλέμαχος προσεφώνεεν ὃν πατέρ᾽ αἶψα·
als niet Telemachos gezegd had tot zijn vader plotseling:
“ποίῃ γὰρ νῦν δεῦρο, πάτερ φίλε, νηΐ σε ναῦται
“Met wat voor schip hierheen, vader van me, zeelui
ἤγαγον εἰς Ἰθάκην; τίνες ἔμμεναι εὐχετόωντο;
brachten jou naar Ithaka? Wie zeggen zij dat ze zijn?
οὐ μὲν γάρ τί σε πεζὸν ὀΐομαι ἐνθάδ᾽ ἱκέσθαι.”
Want ik denk toch wel niet dat je te voet hierheen bent gekomen”.

Odysseus vertelt dat de Faiaken hem naar Ithaka hebben gebracht, met veel geschenken. Hij vraagt hoeveel vrijers er zijn.

Plannen tegen de vrijers.

Telemachos vertelt Odysseus dat er zeer veel vrijers in het paleis zijn, met dienaren. Wie denkt zijn vader wel mee te nemen als het op een gevecht aan komt? Zijn vader legt uit dat Zeus en Athene aan hun kant staan. Als het zover is moet Telemachos de wapens verbergen, behalve zwaarden, lansen en leren bescherming voor hen beiden. Het is belangrijk om te weten te komen wie onschuldig is. Telemachos moet zich niet opwinden als de vrijers zijn vader lastig vallen.

Eumaios en een matroos lichten Penelope in.

Een van de matrozen met wie Telemachos was meegevaren vertelt openlijk het nieuws dat Telemachos weer terug is. Eumaios brengt de geheime boodschap aan Penelope over. Dan gaat hij terug naar zijn varkens.
De vrijers zijn niet enthousiast. Sommigen willen Telemachos doden. Anderen stellen voor eerst aan de goden advies te vragen.

Penelope richt zich tot de vrijers.

Penelope spreekt haar afschuw van de vrijers uit. Men probeert haar te kalmeren.

Eumaios gaat terug naar zijn hut.

Vóór hij er is verandert Athene Odysseus weer in een arme zwerver.

Boek 17
Telemachus gaat het eerste naar het paleis. Eumaios en Odysseus volgen even later. Odysseus blijft buiten. Zijn hond herkent hem en wil naar hem toe komen, maar valt neer. Odysseus wordt uitgejouwd door de vrijers.

Boek 18
De bedelaar Iros daagt Odysseus uit voor een gevecht. Als Odysseus zijn mouwen opstroopt durft Iros eigenlijk niet meer, maar hij wordt gedwongen door de vrijers. Iros wordt in 1 keer neergeslagen. Odysseus krijgt eten en drinken aangeboden. Penelope verschijnt en zegt tegen Telemachus dat hij de Odysseus niet had mogen laten vechten en neemt dan de cadeaus in ontvangst. Odysseus mag van Telemachus blijven slapen.

Boek 19

Penelope vraagt Odysseus naar zijn naam en afkomst. Hij zegt dat hij alles wil vertellen behalve dat. Penelope stort haar hard uit en vertelt dat ze moest trouwen als het kleed afwas, ze vertelt dat ze het 3 jaar heeft kunnen uitstellen door het kleed elke keer uit te halen, maar dat ze op een keer betrapt is en het af moest maken. Ze moet nu trouwen.

(http://www.scholieren.com/boekverslag/62412)

Volgende
Terug

reageer