Go to content Go to navigation Go to search

Jezus voor de Hoge Raad en voor Pilatus · 1724 dagen geleden by Ad van den Ende

Jezus voor de Hoge Raad

(Lucas 22:66-71)
66  Καὶ ὡς ἐγένετο ἡμέρα,
Toen het dag was geworden
συνήχθη τὸ πρεσβυτέριον τοῦ λαοῦ,
kwam bij elkaar het hoogste bestuurscollege van het volk,
ἀρχιερεῖς τε καὶ γραμματεῖς,
de opperpriesters en schriftgeleerden,
καὶ ἀπήγαγον αὐτὸν εἰς τὸ συνέδριον αὐτῶν,
en zij brachten hem naar hun gerechtsgebouw,
67  λέγοντες, Εἰ σὺ εἶ ὁ Χριστός, εἰπὸν ἡμῖν.
Zeggend: ‘Als u de Messias bent, zeg het ons.!’

εἶπεν δὲ αὐτοῖς,
Hij zei hun:
Ἐὰν ὑμῖν εἴπω οὐ μὴ πιστεύσητε·
‘Als ik het u zou zeggen zou u het niet geloven.
68  ἐὰν δὲ ἐρωτήσω
En als ik u iets zou vragen
οὐ μὴ ἀποκριθῆτε.
Zou u niet antwoorden.
69  ἀπὸ τοῦ νῦν δὲ ἔσται ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου
Maar vanaf nu zal de mensenzoon zijn
καθήμενος ἐκ δεξιῶν τῆς δυνάμεως τοῦ θεοῦ.
Gezeten aan de rechterhand van de macht van God.

70  εἶπαν δὲ πάντες,
Allen zeiden:
Σὺ οὖν εἶ ὁ υἱὸς τοῦ θεοῦ;
“U bent dus de zoon van God?”
ὁ δὲ πρὸς αὐτοὺς ἔφη,
Hij zei tegen hen:
Ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἐγώ εἰμι.
‘U zegt dat ik het ben.’
71  οἱ δὲ εἶπαν,
Zij zeiden:
Τί ἔτι ἔχομεν μαρτυρίας χρείαν;
“Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?
αὐτοὶ γὰρ ἠκούσαμεν
Want wij hebben het zelf gehoord
ἀπὸ τοῦ στόματος αὐτοῦ.
Uit zijn mond!’

Jezus wordt voor Pilatus geleid.

(Lucas 23:1-12)
1  Καὶ ἀναστὰν ἅπαν τὸ πλῆθος αὐτῶν
En de hele vergdering stond op αὐτὸν ἐπὶ τὸν Πιλᾶτον.
(en voerde) hem naar Pilatus.
2  ἤρξαντο δὲ κατηγορεῖν αὐτοῦ λέγοντες,
Zij begonnen hem te beschuldigen, zeggend:
Τοῦτον εὕραμεν διαστρέφοντα τὸ ἔθνος ἡμῶν
“Wij bevonden dat hij ons volk opruide
καὶ κωλύοντα
en hen ervan afhield
φόρους Καίσαρι διδόναι
om aan de keizer belasting te betalen,
καὶ λέγοντα ἑαυτὸν Χριστὸν βασιλέα εἶναι.
En zeggend dat hij de Messias Koning was.”

3  ὁ δὲ Πιλᾶτος ἠρώτησεν αὐτὸν λέγων,
Pilatus ondervroeg hem, zeggend:
Σὺ εἶ ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων;
“Bent u inderdaad de koning van de Joden?”
ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ἔφη, Σὺ λέγεις.
Hij anrwoordde en zei: “Dat zegt u!”

4  ὁ δὲ Πιλᾶτος εἶπεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς
Pilatus zei tegen de opperpriesters
καὶ τοὺς ὄχλους,
en de menigte:
Οὐδὲν εὑρίσκω αἴτιον ἐν τῷ ἀνθρώπῳ τούτῳ.
“Ik vind niets schuldigs in die man.”

5  οἱ δὲ ἐπίσχυον λέγοντες
Maar zij drongen aan, zeggend:
ὅτι Ἀνασείει τὸν λαὸν
“Hij brengt het volk in opstand
διδάσκων καθ᾽ ὅλης τῆς Ἰουδαίας,
door te onderrichten in heel Judea
καὶ ἀρξάμενος ἀπὸ τῆς Γαλιλαίας ἕως ὧδε.
Beginnend vanaf Judea tot hier.”

6  Πιλᾶτος δὲ ἀκούσας
Toen Pilatus dat hoorde
ἐπηρώτησεν εἰ ὁ ἄνθρωπος Γαλιλαῖός ἐστιν·
vroeg hij of de man een Galileeër was.
7  καὶ ἐπιγνοὺς ὅτι
En toen hij vernam dat
ἐκ τῆς ἐξουσίας Ἡρῴδου ἐστὶν
hij uit het machtsgebied van Herodes was
ἀνέπεμψεν αὐτὸν πρὸς Ἡρῴδην,
stuurde hij hem naar Herodes,
ὄντα καὶ αὐτὸν ἐν Ἱεροσολύμοις
die ook in Jeruzalem was
ἐν ταύταις ταῖς ἡμέραις.
In die dagen.

Jezus voor Herodes

8  ὁ δὲ Ἡρῴδης ἰδὼν τὸν Ἰησοῦν ἐχάρη λίαν,
Toen Herodes Jezus zag verheugde hij zich zeer,
ἦν γὰρ ἐξ ἱκανῶν χρόνων θέλων ἰδεῖν αὐτὸν
want hij wilde hem vanaf lange tijd al zien,
διὰ τὸ ἀκούειν περὶ αὐτοῦ,
omdat hij over hem gehoord had,
καὶ ἤλπιζέν τι σημεῖον ἰδεῖν
en hoopte een wonder te zien,
ὑπ᾽ αὐτοῦ γινόμενον.
Door hem verricht.

9  ἐπηρώτα δὲ αὐτὸν ἐν λόγοις ἱκανοῖς·
Hij ondervroeg hem met veel woorden,
αὐτὸς δὲ οὐδὲν ἀπεκρίνατο αὐτῷ.
Maar hij antwoordde hem niets.

10  εἱστήκεισαν δὲ οἱ ἀρχιερεῖς
Zij stonden, de opperpriesters
καὶ οἱ γραμματεῖς εὐτόνως κατηγοροῦντες αὐτοῦ.
en de schriftgeleerden, hem heftig te beschuldigen,
11  ἐξουθενήσας δὲ αὐτὸν [καὶ] ὁ Ἡρῴδης
Herodes, hem vernederd hebbend
σὺν τοῖς στρατεύμασιν αὐτοῦ
met zijn soldaten
καὶ ἐμπαίξας
en hem bespot hebbend,
περιβαλὼν ἐσθῆτα λαμπρὰν
en hem een prachtig gewaad omhangen hebbend,
ἀνέπεμψεν αὐτὸν τῷ Πιλάτῳ.
Stuurde hm terug naar Pilatus.

12  ἐγένοντο δὲ φίλοι ὅ τε Ἡρῴδης καὶ ὁ Πιλᾶτος
Ze werden vrienden, Herodes en Pilatus,
ἐν αὐτῇ τῇ ἡμέρᾳ μετ᾽ ἀλλήλων·
op diezelfde dag met elkaar;
προϋπῆρχον γὰρ ἐν ἔχθρᾳ ὄντες πρὸς αὑτούς.
Eerder waren zij in vijandschap met elkaar.

Jezus weer voor Pilatus

(Johannes 18:28-38)
28  ἦν δὲ πρωΐ· καὶ αὐτοὶ οὐκ εἰσῆλθον εἰς τὸ πραιτώριον,
Het was vroeg; zelf gingen ze niet in het praetorium binnen,
ἵνα μὴ μιανθῶσιν
opdat ze niet verontreinigd zouden worden
ἀλλὰ φάγωσιν τὸ πάσχα.
Maar het paasmaal zouden kunnen eten.

29  ἐξῆλθεν οὖν ὁ Πιλᾶτος ἔξω
Pilatus kwam dus naar buiten
πρὸς αὐτοὺς καὶ φησίν,
naar hen en zei:
Τίνα κατηγορίαν φέρετε
“Welke aanklacht voert u aan
κατὰ τοῦ ἀνθρώπου τούτου;
tegen deze man?”

30  ἀπεκρίθησαν καὶ εἶπαν αὐτῷ,
Zij antwoordden en zeiden hem:
Εἰ μὴ ἦν οὗτος κακὸν ποιῶν,
“Als hij geen boosdoener was
οὐκ ἄν σοι παρεδώκαμεν αὐτόν.
Hadden wij hem niet aan u uitgeleverd!”
31  εἶπεν οὖν αὐτοῖς ὁ Πιλᾶτος,
Pilatus zei hun daarop:
Λάβετε αὐτὸν ὑμεῖς,
“Nemen jullie hem zelf
καὶ κατὰ τὸν νόμον ὑμῶν κρίνατε αὐτόν.
En berecht hem volgens uw wet!”
εἶπον [οὖν] αὐτῷ οἱ Ἰουδαῖοι,
De joden antwoordden hem:
Ἡμῖν οὐκ ἔξεστιν ἀποκτεῖναι οὐδένα·
“Het is ons niet toegestaan iemand te doden.”
32  ἵνα ὁ λόγος τοῦ Ἰησοῦ πληρωθῇ
Opdat het woord van Jezus vervuld zou worden
ὃν εἶπεν σημαίνων
dat hij sprak om aan te geven
ποίῳ θανάτῳ ἤμελλεν ἀποθνῄσκειν.
Welke dood hij zou sterven.

33  Εἰσῆλθεν οὖν πάλιν εἰς τὸ πραιτώριον ὁ Πιλᾶτος
Pilatus ging daarom het praetorium weer binnen
καὶ ἐφώνησεν τὸν Ἰησοῦν καὶ εἶπεν αὐτῷ,
en liet Jezus roepen en zei hem:
Σὺ εἶ ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων;
“Bent u de koning van de Joden?”
34  ἀπεκρίθη Ἰησοῦς,
Jezus antwoordde hem:
Ἀπὸ σεαυτοῦ σὺ τοῦτο λέγεις
“Zegt u dat uit uzelf
ἢ ἄλλοι εἶπόν σοι περὶ ἐμοῦ;
of hebben anderen dat aan u over mij gezegd?”

35  ἀπεκρίθη ὁ Πιλᾶτος,
Pilatus antwoordde:
Μήτι ἐγὼ Ἰουδαῖός εἰμι;
“Ben ik soms een Jood?
τὸ ἔθνος τὸ σὸν καὶ οἱ ἀρχιερεῖς
Uw volk en de opperpriesters
παρέδωκάν σε ἐμοί·
hebben u aan mij overgeleverd.
τί ἐποίησας;
Wat hebt u gedaan?”

36  ἀπεκρίθη Ἰησοῦς,
Jezus antwoordde:
Ἡ βασιλεία ἡ ἐμὴ οὐκ ἔστιν ἐκ τοῦ κόσμου τούτου·
“Mijn koninkrijk is niet van deze wereld;
εἰ ἐκ τοῦ κόσμου τούτου ἦν ἡ βασιλεία ἡ ἐμή,
als mijn koninkrijk van deze wereld was
οἱ ὑπηρέται οἱ ἐμοὶ ἠγωνίζοντο [ἄν],
zouden mijn dienaren gevochten hebben
ἵνα μὴ παραδοθῶ τοῖς Ἰουδαίοις·
opdat ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd.
νῦν δὲ ἡ βασιλεία ἡ ἐμὴ οὐκ ἔστιν ἐντεῦθεν.
Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet van deze wereld.
37  εἶπεν οὖν αὐτῷ ὁ Πιλᾶτος,
“Pilatus zei hem daarop:
Οὐκοῦν βασιλεὺς εἶ σύ;
“Dus koning bent u?”

ἀπεκρίθη ὁ Ἰησοῦς,
Jezus antwoordde hem<
Σὺ λέγεις ὅτι βασιλεύς εἰμι.
“U zegt dat ik koning ben.
ἐγὼ εἰς τοῦτο γεγέννημαι
Daartoe ben ik geboren
καὶ εἰς τοῦτο ἐλήλυθα εἰς τὸν κόσμον,
en daartoe ben ik in de wereld gekomen
ἵνα μαρτυρήσω τῇ ἀληθείᾳ·
opdat ik zou getuigen van de waarheid.
πᾶς ὁ ὢν ἐκ τῆς ἀληθείας
Ieder die uit de waarheid is
ἀκούει μου τῆς φωνῆς.
Luistert naar mijn stem.”
38  λέγει αὐτῷ ὁ Πιλᾶτος,
Pilatus zegt hem dan:
Τί ἐστιν ἀλήθεια;
“Wat is waarheid?”

Καὶ τοῦτο εἰπὼν πάλιν
Toen hij dat gezegd had
ἐξῆλθεν πρὸς τοὺς Ἰουδαίους,
ging hij naar buiten naar de Joden,
καὶ λέγει αὐτοῖς,
en zegt hun:
Ἐγὼ οὐδεμίαν εὑρίσκω
“Ik vind geen enkele
ἐν αὐτῷ αἰτίαν.
Schuld in hem.”

Jezus voor Pilatus

(Marcus 15, 1-15)
1
Καὶ εὐθὺς πρωῒ
En heel vroeg in de ochtend
συμβούλιον ποιήσαντες
bijeen gekomen,
οἱ ἀρχιερεῖς μετὰ τῶν
de hogepriesters met de
πρεσβυτέρων καὶ γραμματέων
oudsten en schriftgeleerden
καὶ ὅλον τὸ συνέδριον
en heel het Sanhedrin,
δήσαντες τὸν Ἰησοῦν
en na Jezus geboeid te hebben
ἀπήνεγκαν
voerden ze hem weg
καὶ παρέδωκαν Πιλάτῳ.
en leverden ze hem over aan Pilatus.

2
καὶ ἐπηρώτα αὐτὸν ὁ Πιλᾶτος,
En Pilatus ondervroeg hem:
Σὺ εἶ ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων;
‘U bent de koning van de Joden?’
ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει,.
Hem antwoordend zegt hij:
Σὺ λέγεις
‘U zegt het.’

3
καὶ κατηγόρουν αὐτοῦ
En ze beschuldigden hem,
οἱ ἀρχιερεῖς πολλά.
de hogepriesters, van veel dingen.

4
ὁ δὲ Πιλᾶτος
En Pilatus
πάλιν ἐπηρώτα αὐτὸν
ondervroeg hem opnieuw,
λέγων,
zeggend:
Οὐκ ἀποκρίνῃ οὐδέν;
‘Antwoord u helemaal niet?
ἴδε πόσα σου κατηγοροῦσιν.
Hoor toch hoe ze u beschuldigen!’

5
ὁ δὲ Ἰησοῦς,
Maar Jezus
οὐκέτι οὐδὲν ἀπεκρίθη
antwoordde in het geheel niet meer,
ὥστε θαυμάζειν τὸν Πιλᾶτον.
zodat Pilatus zich verwonderde.

6
Κατὰ δὲ ἑορτὴν
Op een (Paas-)feest
ἀπέλυεν αὐτοῖς ἕνα δέσμιον
liet hij hun één gevangene vrij
ὃν παρῃτοῦντο.
om wie ze vroegen.

7
ἦν δὲ ὁ λεγόμενος Βαραββᾶς
Er was de zogeheten Barnabas,
μετὰ τῶν στασιαστῶν
met de (andere) opstandelingen
δεδεμένος
gevangen,
οἵτινες ἐν τῇ στάσει
die tijdens het oproer
φόνον πεποιήκεισαν.
een moord begaan hadden.

8
καὶ ἀναβὰς ὁ ὄχλος
En de menigte, bijeengekomen,
ἤρξατο αἰτεῖσθαι
begon te vragen
(dat hij zou doen)
καθὼς ἐποίει αὐτοῖς.
zoals hij hun gewoon was te doen.

9
ὁ δὲ Πιλᾶτος ἀπεκρίθη αὐτοῖς
Pilatus antwoordde hun,
λέγων,
zeggend:
Θέλετε ἀπολύσω ὑμῖν
‘Wilt u dat ik u zal vrijlaten
τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων;
de koning van de Joden?’

10
ἐγίνωσκεν γὰρ
Want hij wist
ὅτι διὰ φθόνον
dat ze door afgunst
παραδεδώκεισαν αὐτὸν
hem overgeleverd hadden,
οἱ ἀρχιερεῖς.
de hogepriesters.

11
οἱ δὲ ἀρχιερεῖς
Maar de hogepriesters
ἀνέσεισαν τὸν ὄχλον
hitsten de menigte op
ἵνα μᾶλλον τὸν Βαραββᾶν
dat hij liever Barabbas
ἀπολύσῃ αὐτοῖς.
vrij zou laten voor hen.

12
ὁ δὲ Πιλᾶτος
Pilatus,
πάλιν ἀποκριθεὶς
opnieuw antwoordend,
ἔλεγεν αὐτοῖς,
zei hun:
Τί οὖν [θέλετε]
‘Wat dan [willen jullie]
ποιήσω
dat ik zal doen
[ὃν λέγετε]
[met die jullie noemen]
τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων;
de koning van de Joden?’

13
οἱ δὲ πάλιν ἔκραξαν,
Zij schreeuwden opnieuw
Σταύρωσον αὐτόν.
(en riepen): ‘Kruisig hem!’

14
ὁ δὲ Πιλᾶτος ἔλεγεν αὐτοῖς,
Maar Pilatus zei hun:
Τί γὰρ ἐποίησεν κακόν;
‘Wat deed hij dan voor slechts?’

οἱ δὲ περισσῶς.
Maar nog harder
ἔκραξαν,
schreeuwden zij:
Σταύρωσον αὐτόν
‘Kruisig hem!’

15
ὁ δὲ Πιλᾶτος βουλόμενος
Pilatus, wensend
τῷ ὄχλῳ τὸ ἱκανὸν ποιῆσαι
de menigte tevreden te stellen
ἀπέλυσεν αὐτοῖς τὸν Βαραββᾶν,
liet hun Barabbas vrij,
καὶ παρέδωκεν τὸν Ἰησοῦν
en hij leverde Jezus over
φραγελλώσας ἵνα
opdat hij, na gegeseld te zijn,
σταυρωθῇ.
gekruisigd zou worden.

Jezus wordt ter dood veroordeeld

(Matteüs 27:15-26)
15  Κατὰ δὲ ἑορτὴν
Bij gelegenheid van het feest
εἰώθει ὁ ἡγεμὼν
was de prefect gewoon
ἀπολύειν ἕνα τῷ ὄχλῳ δέσμιον
één gevangene vrij te laten voor het volk
ὃν ἤθελον.
die zij wilden.

16  εἶχον δὲ τότε δέσμιον ἐπίσημον
Ze hadden toen een beruchte gevangene,
λεγόμενον Βαραββᾶν.
genoemd Barabbas.

17  συνηγμένων οὖν αὐτῶν
Omdat zij te hoop waren gelopen
εἶπεν αὐτοῖς ὁ Πιλᾶτος,
zei Pilatus hun:
Τίνα θέλετε ἀπολύσω ὑμῖν,
Wie wilt u dat ik u vrij zal laten:
Βαραββᾶν ἢ Ἰησοῦν τὸν λεγόμενον Χριστόν;
Barabbas of Jezus die de Gezalfde wordt genoemd?
18  ᾔδει γὰρ ὅτι
Want hij wist dat zij
διὰ φθόνον παρέδωκαν αὐτόν.
Door afgunst hem overgeleverd hadden.

19  Καθημένου δὲ αὐτοῦ ἐπὶ τοῦ βήματος
Toen hij op de rechterstoel zat
ἀπέστειλεν πρὸς αὐτὸν ἡ γυνὴ αὐτοῦ λέγουσα,
stuurde zijn vrouw hem (een boodschap) zeggend:
Μηδὲν σοὶ καὶ τῷ δικαίῳ ἐκείνῳ,
“Bemoei je niet met die rechtvaardige,
πολλὰ γὰρ ἔπαθον σήμερον
want veel heb ik geleden vandaag
κατ᾽ ὄναρ δι᾽ αὐτόν.
in een droom om hem!”

20  Οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι
De opperpriesters en schriftgeleerden
ἔπεισαν τοὺς ὄχλους
overreedden de menigte
ἵνα αἰτήσωνται τὸν Βαραββᾶν
dat zij Barabbas zouden kiezen,
τὸν δὲ Ἰησοῦν ἀπολέσωσιν.
En Jezus zouden doden.

21  ἀποκριθεὶς δὲ ὁ ἡγεμὼν εἶπεν αὐτοῖς,
De prefect zei hun:
Τίνα θέλετε ἀπὸ τῶν δύο
“Wie willen jullie van de twee
ἀπολύσω ὑμῖν;
dat ik jullie vrij zal laten?”
οἱ δὲ εἶπαν, Τὸν Βαραββᾶν.
Maar zij zeiden: “Barabbas!”

22  λέγει αὐτοῖς ὁ Πιλᾶτος,
Pilatus zei hun:
Τί οὖν ποιήσω Ἰησοῦν
“Wat zal ik dan doen met Jezus,
τὸν λεγόμενον Χριστόν;
die de Gezalfde wordt genoemd?”
λέγουσιν πάντες,
Allen zeggen:
Σταυρωθήτω.
“Hij moet gekruisigd worden!”

23  ὁ δὲ ἔφη,
Hij zei:
Τί γὰρ κακὸν ἐποίησεν;
“Wat voor kwaad heeft hij dan gedaan?”
οἱ δὲ περισσῶς ἔκραζον
Maar zij schreeuwden nog harder,
λέγοντες, Σταυρωθήτω.
Zeggend: “Hij moet gekruisigd worden!”

24  ἰδὼν δὲ ὁ Πιλᾶτος
Toen Pilatus zag
ὅτι οὐδὲν ὠφελεῖ
dat hij niets opschoot,
ἀλλὰ μᾶλλον θόρυβος γίνεται,
maar dat de onrust groter werd,
λαβὼν ὕδωρ ἀπενίψατο τὰς χεῖρας
water nemend waste hij zijn handen
ἀπέναντι τοῦ ὄχλου, λέγων,
tegenover de menigte, zeggend:
Ἀθῷός εἰμι ἀπὸ τοῦ αἵματος τούτου·
“Onschuldig ben ik aan zijn bloed.
ὑμεῖς ὄψεσθε.
Het is jullie zaak!”

25  καὶ ἀποκριθεὶς πᾶς ὁ λαὸς εἶπεν,
En antwoordend zei heel het volk:
Τὸ αἷμα αὐτοῦ ἐφ᾽ ἡμᾶς
“Zijn bloed (kome) over ons
καὶ ἐπὶ τὰ τέκνα ἡμῶν.
En over onze kinderen!’

26  τότε ἀπέλυσεν αὐτοῖς τὸν Βαραββᾶν,
Toen liet hij voor hen Barabbas vrij.
τὸν δὲ Ἰησοῦν φραγελλώσας
En na Jezus te hebben laten geselen
παρέδωκεν ἵνα σταυρωθῇ.
Gaf hij hem over om gekruisigd te worden.

Volgende
Terug