Go to content Go to navigation Go to search

Begin van de Medea · 1778 dagen geleden by Ad van den Ende

Voorgeschiedenis

Medea is een prinses uit een barbaars land, Colchis. Zij kan toveren.
Jason is de zoon van Aeson, de koning van het Griekse Jolkos. Als Jason nog klein is wordt zijn vader van de troon gestoten en verjaagd door diens halfbroer Pelias. Als Jason groot is geworden keert hij terug naar Jolkos. Pelias herkent hem niet, maar hij krijgt wel een voorspelling dat de nieuwkomer voor hem een bedreiging vormt. Hij stuurt Jason er op uit om het Gulden Vlies in Colchis voor hem te veroveren. Hij hoopt dat Jason niet terug zal keren.
Met het schip de Argo vaart Jason, samen met vijftig mannen, de “Argonauten”, naar Colchis.
Hij ontmoet Medea. Zij wordt verliefd op hem, en helpt hem door haar toverkunde de draak, die het Gulden Vlies bewaakt, te doden, en zo het Gulden Vlies te veroveren. Jason belooft met haar te trouwen.
Zij vluchten maar worden achtervolgd. Medea doodt haar broer, snijdt hem in stukken en gooit die een voor een in het water om hun achtervolgers op te houden.
Terug in Jolkos weigert Pelias afstand te doen van de troon, wat hij beloofd had. Medea spoort zijn dochters aan hem te doden. Zij spiegelt hun voor dat zij Pelias dan ten leven zou wekken en onsterfelijk zou maken. Dat laatste gebeurt niet. Uit angst voor wraak vluchten Jason en Medea naar Corinthe.
Koning Creon van Corinthe stelt Jason voor met zijn dochter te trouwen. Jason gaat daar op in. Medea is nog steeds verliefd op Jason.

(Teksten tussen vierkante haken zijn waarschijnlijk later door een ander toegevoegd.)

Proloog 1-130

Voedster
Εἴθ᾽ ὤφελ᾽ Ἀργοῦς μὴ διαπτάσθαι σκάφος
Och was het schip van de Argo maar nooit gevaren
Κόλχων ἐς αἶαν κυανέας Συμπληγάδας,
naar het land van de Kolchiërs door de donkere Symplegaden,
μηδ᾽ ἐν νάπαισι Πηλίου πεσεῖν ποτε
noch de dennenboom in de dalen van het Peliongebergte ooit gevallen
τμηθεῖσα πεύκη,
na te zijn omgehakt,
μηδ᾽ ἐρετμῶσαι χέρας
en had hij maar niet van roeiriemen voorzien de handen
5
ἀνδρῶν ἀρίστων, οἳ τὸ πάγχρυσον δέρος
van de zeer dappere mannen, die de algouden vacht
Πελίαι μετῆλθον. οὐ γὰρ ἂν δέσποιν᾽ ἐμὴ
voor Pelias gingen halen. Immers niet zou mijn meesteres
Μήδεια πύργους γῆς ἔπλευσ᾽ Ἰωλκίας
Medea naar de burchten van het land van Jolkos zijn gevaren,
ἔρωτι θυμὸν ἐκπλαγεῖσ᾽ Ἰάσονος·
door liefde in haar hart buiten zichzelf geraakt voor Jason.
οὐδ᾽ ἂν κτανεῖν πείσασα Πελιάδας κόρας
zij zou niet, na de dochters van Pelias overgehaald te hebben te doden
10
πατέρα κατώικει τήνδε γῆν Κορινθίαν
hun vader, bewonen dit Corinthische land
ξὺν ἀνδρὶ καὶ τέκνοισιν, ἁνδάνουσα μὲν
met haar man en kinderen, wel geliefd zijnde
φυγῆι πολιτῶν
door een vlucht bij de burgers
ὧν ἀφίκετο χθόνα,
van wie zij het land bereikte,
αὐτή τε πάντα ξυμφέρουσ᾽ Ἰάσονι·
en zelf in alles het eens zijnde met Jason.
ἥπερ μεγίστη γίγνεται σωτηρία,
iets wat de grootste zekerheid is
15
ὅταν γυνὴ πρὸς ἄνδρα
wanneer de vrouw met haar man
μὴ διχοστατῆι.
niet in onmin leeft.

νῦν δ᾽ ἐχθρὰ πάντα,
Maar nu zijn zij vijandig in alles
καὶ νοσεῖ τὰ φίλτατα.
en is de innige verstandhouding verziekt.

προδοὺς γὰρ αὑτοῦ τέκνα
Want na verraden te hebben zijn eigen kinderen
δεσπότιν τ᾽ ἐμὴν
en mijn meesteres
γάμοις Ἰάσων βασιλικοῖς εὐνάζεται,
slaapt Jason in een koninklijk bed
γήμας Κρέοντος παῖδ᾽,
na gehuwd te hebben de dochter van Kreoon,
ὃς αἰσυμνᾶι χθονός·
die heerst over dit land;

20
Μήδεια δ᾽ ἡ δύστηνος ἠτιμασμένη
Medea, de ongelukkige, vernederd,
βοᾶι μὲν ὅρκους,
roept zijn eden in herinnering,
ἀνακαλεῖ δὲ δεξιᾶς,
zij roept aan zijn belofte,
πίστιν μεγίστην,
de grootste belofte van trouw,
καὶ θεοὺς μαρτύρεται
en roept goden tot getuigen
οἵας ἀμοιβῆς ἐξ Ἰάσονος κυρεῖ.
wat voor een dank zij van Jason krijgt.

κεῖται δ᾽ ἄσιτος,
Zij ligt zonder eten,
σῶμ᾽ ὑφεῖσ᾽ ἀλγηδόσι,
haar lichaam overgevend aan verdriet,
25
τὸν πάντα συντήκουσα δακρύοις χρόνον,
de hele tijd wegsmeltend in tranen,
ἐπεὶ πρὸς ἀνδρὸς ἤισθετ᾽
omdat zij merkte dat zij door haar man
ἠδικημένη,
onrechtvaardig behandeld is,
οὔτ᾽ ὄμμ᾽ ἐπαίρουσ᾽
noch haar ogen opslaand
οὔτ᾽ ἀπαλλάσσουσα γῆς
noch losmakend van de grond
πρόσωπον· ὡς δὲ πέτρος ἢ θαλάσσιος
haar aangezicht; als een rotsblok of een zee-
κλύδων ἀκούει νουθετουμένη φίλων·
golf luistert zij naar de raad van vrienden.
30
ἢν μή ποτε
behalve als zij soms,
στρέψασα πάλλευκον δέρην
na gedraaid te hebben haar sneeuwwitte hals,
αὐτὴ πρὸς αὑτὴν πατέρ᾽ ἀποιμώξηι φίλον
zij zelf bij zichzelf haar dierbare vader bejammert
καὶ γαῖαν οἴκους θ᾽,
en haar land en huis,
οὓς προδοῦσ᾽ ἀφίκετο
welke verraden hebbend zij aankwam
μετ᾽ ἀνδρὸς ὅς σφε
met de man die haar
νῦν ἀτιμάσας ἔχει.
nu in een vernederende positie houdt.

ἔγνωκε δ᾽ ἡ τάλαινα συμφορᾶς ὕπο
De ongelukkige heeft door haar ongeluk ingezien
35
οἷον πατρώιας μὴ ἀπολείπεσθαι χθονός.
wat het is niet gescheiden te worden van je vaderland.
στυγεῖ δὲ παῖδας
Zij haat haar kinderen,
οὐδ᾽ ὁρῶσ᾽ εὐφραίνεται.
hen ziende verheugt zij zich niet.

δέδοικα δ᾽ αὐτὴν μή τι βουλεύσηι νέον·
Ik vrees dat zij iets ongehoords beraamt;
βαρεῖα γὰρ φρήν,
want bezwaard is haar hart,
οὐδ᾽ ἀνέξεται
zij zal het niet verdragen
κακῶς πάσχουσ᾽·
slecht behandeld te worden;
ἐγὦιδα τήνδε,
ik ken haar,
40

δειμαίνω τέ νιν
en ik vrees dat zij
μὴ θηκτὸν ὤσηι φάσγανον δι᾽ ἥπατος,
een scherp zwaard zal stoten door de lever,
σιγῆι δόμους ἐσβᾶσ᾽,
na in stilte het huis binnen te zijn gegaan,
ἵν᾽ ἔστρωται λέχος,
waar het bed is gespreid,
ἢ καὶ τύραννον τόν τε γήμαντα κτάνηι,
of ook de heerser en de bruidegom zal doden,
[κἄπειτα μείζω συμφορὰν λάβηι τινά.
en dat zij vervolgens een nog groter ongeluk veroorzaakt.]
δεινὴ γάρ·
want vreeswekkend is zij;
οὔτοι ῥαιδίως γε
en zeker niet gemakkelijk
45
συμβαλὼν ἔχθραν τις αὐτῆι
zal iemand die ruzie zoekt met haar
καλλίνικον οἴσεται.
de overwinningskrans behalen.

ἀλλ᾽ οἵδε παῖδες
Maar zie, de kinderen,
ἐκ τρόχων πεπαυμένοι
met het hardlopen opgehouden,
στείχουσι, μητρὸς οὐδὲν ἐννοούμενοι
komen, niet bemerkend van hun moeder
κακῶν· νέα γὰρ φροντὶς
de ellende; want een jonge denker
οὐκ ἀλγεῖν φιλεῖ.
houdt er niet van verdriet te hebben.

(De twee zoontjes en hun leraar komen op.)

ΠΑΙΔΑΓΩΓΟΣ ·
Begeleider
παλαιὸν οἴκων κτῆμα δεσποίνης ἐμῆς,
Oud huisbezit van mijn meesteres,
50
τί πρὸς πύλαισι τήνδ᾽ ἄγουσ᾽ ἐρημίαν
Waarom sta je bij de poorten zo eenzaam
ἕστηκας, αὐτὴ θρεομένη σαυτῆι κακά;
zelf weeklagend bij jezelf over ellende?
πῶς σοῦ μόνη Μήδεια λείπεσθαι θέλει;
Hoe zou Medea zonder jou achtergelaten willen worden?

Τρ. Voedster
τέκνων ὀπαδὲ πρέσβυ τῶν Ἰάσονος,
Oude begeleider van de kinderen van Jason,
χρηστοῖσι δούλοις ξυμφορὰ τὰ δεσποτῶν
voor goede slaven zijn een ramp de voor de meesters
55
κακῶς πίτνοντα, καὶ φρενῶν ἀνθάπτεται.
slecht uitpakkende dingen, en zij raken hun hart.
ἐγὼ γὰρ ἐς τοῦτ᾽ ἐκβέβηκ᾽
ik immers ben in die mate buiten mijzelf geraakt
ἀλγηδόνος,
van verdriet
ὥσθ᾽ ἵμερός μ᾽ ὑπῆλθε
dat het verlangen bij mij opkwam
γῆι τε κοὐρανῶι
aan aarde en hemel
λέξαι μολούσηι δεῦρο
te vertellen, na hierheen te zijn gegaan,
δεσποίνης τύχας.
de lotgevallen van mijn meesteres.

Πα. Begeleider
οὔπω γὰρ ἡ τάλαινα παύεται
Dus nog niet houdt de ongelukkige op
γόων;
met jammerklachten?

60
Τρ. Voedster
ζηλῶ σ᾽· ἐν ἀρχῆι πῆμα
Ik benijd je; in het begin is pas de rampspoed,
κοὐδέπω μεσοῖ.
en nog niet halverwege.

Πα. Begeleider
ὦ μῶρος –
O verdwaasde –
εἰ χρὴ δεσπότας εἰπεῖν τόδε·
als het geoorloofd is mijn meesters zo te noemen;
ὡς οὐδὲν οἶδε τῶν νεωτέρων κακῶν.
want niets weet zij van de nieuwere rampen.

Τρ. Voedster
τί δ᾽ ἔστιν, ὦ γεραιέ;
Wat is het, oude?
μὴ φθόνει φράσαι.
Misgun mij niet het mij mee te delen.

Πα. Begeleider
οὐδέν· μετέγνων καὶ τὰ πρόσθ᾽ εἰρημένα.
Niets! Ik herroep ook het eerder gezegde.

65
Τρ. Voedster
μή, πρὸς γενείου,
Niet, bij je baard,
κρύπτε σύνδουλον σέθεν·
verberg het voor een medeslaaf van jou;
σιγὴν γάρ, εἰ χρή,
want het stilzwijgen, als het nodig is,
τῶνδε θήσομαι πέρι.
zal ik bewaren over deze dingen.

Πα. Begeleider
ἤκουσά του λέγοντος,
Ik heb gehoord van iemand die het zei,
οὐ δοκῶν κλύειν,
terwijl ik niet scheen te luisteren,
πεσσοὺς προσελθών,
gaande naar (de plaats van) de damschijven,
ἔνθα δὴ παλαίτατοι θάσσουσι,
waar de oudsten zitten,
σεμνὸν ἀμφὶ Πειρήνης ὕδωρ,
rond het gewijde water van Peirene,
70
ὡς τούσδε παῖδας γῆς ἐλᾶν Κορινθίας
dat hij deze kinderen uit het land van Corinthe verdrijven
σὺν μητρὶ μέλλοι τῆσδε κοίρανος χθονὸς
wil met hun moeder, hij, de heerser van dit land
Κρέων. ὁ μέντοι μῦθος εἰ σαφὴς ὅδε
Kreoon. Dit verhaal echter, of dit waar is
οὐκ οἶδα· βουλοίμην δ᾽ ἂν οὐκ εἶναι τόδε.
weet ik niet; ik zou wel willen dat dit niet zo is.

Τρ. Voedster
καὶ ταῦτ᾽ Ἰάσων παῖδας ἐξανέξεται
En zal Jason dat verdragen, dat zijn kinderen
75
πάσχοντας, εἰ καὶ μητρὶ διαφορὰν ἔχει;
dat ondergaan, ook al heeft hij met hun moeder onenigheid?

Πα. Begeleider
παλαιὰ καινῶν λείπεται
Oude (verwantschappen) vervagen bij nieuwe verwantschappen,
κοὐκ ἔστ᾽ ἐκεῖνος τοῖσδε δώμασιν φίλος.
en hij is dit huis niet vriendelijk gezind.

Τρ. Voedster
ἀπωλόμεσθ᾽ ἄρ᾽,
Wij zijn dus verloren,
εἰ κακὸν προσοίσομεν νέον
als wij een nieuwe ramp voegen bij
παλαιῶι, πρὶν τόδ᾽ ἐξηντληκέναι.
een oude, nog vóór we deze hebben verwerkt.
80
Πα. Begeleider
ἀτὰρ σύ γ᾽ – οὐ γὰρ καιρὸς εἰδέναι τόδε
Maar jij – want het is niet het juiste moment dat zij dit weet,
δέσποιναν – ἡσύχαζε καὶ σίγα λόγον.
de meesteres – kom tot rust en verzwijg dit verhaal.

Τρ. Voedster
ὦ τέκν᾽, ἀκούεθ᾽ οἷος εἰς ὑμᾶς πατήρ;
Kinderen! Horen jullie hoe je vader is tegenover jullie?
ὄλοιτο μὲν μή· δεσπότης γάρ ἐστ᾽ ἐμός·
Moge hij niet omkomen; want hij is mijn meester;
ἀτὰρ κακός γ᾽ ὢν ἐς φίλους ἁλίσκεται.
maar hij wordt er op betrapt slecht te zijn voor zijn dierbaren.
85
Πα. Begeleider
τίς δ᾽ οὐχὶ θνητῶν;
Wie is dat niet van de stervelingen?
ἄρτι γιγνώσκεις τόδε,
Nu pas merk jij dit,
ὡς πᾶς τις αὑτὸν τοῦ πέλας μᾶλλον φιλεῖ,
hoe ieder zichzelf meer bemint dan de ander,
εἰ τούσδε γ᾽ εὐνῆς οὕνεκ᾽
als de vader dezen omwille van het huwelijksbed
οὐ στέργει πατήρ;
niet liefheeft?

Τρ. Voedster
ἴτ᾽ – εὖ γὰρ ἔσται –
Gaat – want het komt wel goed –
δωμάτων ἔσω, τέκνα.
het huis binnen, kinderen.
90
σὺ δ᾽ ὡς μάλιστα τούσδ᾽ ἐρημώσας ἔχε
Hou jij hen zoveel mogelijk geïsoleerd
καὶ μὴ πέλαζε μητρὶι.
en breng hen niet bij hun moeder,
δυσθυμουμένηι.
nu zij neerslachtig is.

ἤδη γὰρ εἶδον ὄμμα νιν ταυρουμένην
Want reeds zag ik haar onheilspellend kijkend
τοῖσδ᾽, ὥς τι δρασείουσαν·
naar hen, alsof zij iets wil doen;
οὐδὲ παύσεται χόλου,
en niet zal zij ophouden met haar woede,
σάφ᾽ οἶδα, πρὶν κατασκῆψαί τινα.
dat weet ik wél, voor hij iemand getroffen heeft.
95
ἐχθρούς γε μέντοι,
Moge zij echter haar vijanden,
μὴ φίλους, δράσειέ τι.
en niet haar vrienden, iets aandoen.

Volgende
Terug