Go to content Go to navigation Go to search

Het Evangelie van Marcus · 2667 dagen geleden by Ad van den Ende

1 Initium evangelii Iesu Christi.
Begin van het evangelie van Jezus Christus.
2 Sicut scriptum est in Isaia propheta:
Zoals geschreven is bij Isaïas, de profeet,
“ Ecce mitto angelum meum ante faciem tuam,
»Zie, ik zend mijn gezant voor uw aangezicht,
qui praeparabit viam tuam;
die zal voorbereiden uw weg;
3 vox clamantis in deserto:
De stem van een roepende in de woestijn:
“Parate viam Domini,
‘Bereid de weg van de Heer,
rectas facite semitas eius” ”,
maakt recht zijn paden’.

4 fuit Ioannes Baptista in deserto
Johannes de doper was in de woestijn,
praedicans baptismum paenitentiae
predikend het doopsel van boetedoening
in remissionem peccatorum.
tot vergeving van de zonden.

5 Et egrediebatur ad illum omnis Iudaeae regio
En naar hem toe stroomde de hele streek Judea,
et Hierosolymitae universi
en allen uit Jerusalem,
et baptizabantur ab illo in Iordane flumine
en ze werden gedoopt door hem in de rivier de Jordaan,
confitentes peccata sua.
terwijl ze hun zonden beleden.

6 Et erat Ioannes vestitus pilis cameli,
En Johannes was gekleed in een mantel van kameelhaar,
et zona pellicea circa lumbos eius,
en een leren riem (was) om zijn lendenen,
et locustas et mel silvestre edebat.
en sprinkhanen en boshoning at hij.

7 Et praedicabat dicens:
En hij maakte bejend, zeggende:
“Venit fortior me post me,
Hij komt, die sterker is dan ik, na mij,
cuius non sum dignus
hij van wie ik niet waardig ben
procumbens solvere
op mijn knieën vallend los te maken
corrigiam calceamentorum eius.
de gesp van zijn sandalen.

8 Ego baptizavi vos aqua;
Ik heb u gedoopt met water,
ille vero baptizabit vos in Spiritu Sancto ”.
hij echter zal u dopen met de Heilige Geest.»

9 Et factum est in diebus illis,
En het gebeurde in die dagen
venit Iesus a Nazareth Galilaeae
(dat) Jezus uit Nazareth in Galilea kwam
et baptizatus est in Iordane ab Ioanne.
en gedoopt is in de Jordaan door Johsannes.

10 Et statim ascendens de aqua
En terstond uit het water komend
vidit apertos caelos
zag hij de hemelen geöpend,
et Spiritum tamquam columbam
en de Geest als een duif
descendentem in ipsum;
neerdalend op hem.
11 et vox facta est de caelis:
En een stem liet zich horen uit de hemel:
“Tu es Filius meus dilectus; in te complacui ”.
»Jij bent mijn geliefde zoon; in jou heb ik welbehagen.»

12 Et statim Spiritus expellit eum in desertum.
En terstond dreef de Geest hem naar de woestijn.
13 Et erat in deserto quadraginta diebus
En hij was in de woestijn veertig dagen,
et tentabatur a Satana;
en hij werd op de proef gesteld door Satan.
eratque cum bestiis,
En hij was met de wilde dieren,
et angeli ministrabant illi.
en de engelen dienden hem.

14 Postquam autem traditus est Ioannes,
Maar nadat Johannes was uitgeleverd
venit Iesus in Galilaeam
ging Jezus naar Galilea,
praedicans evangelium Dei
prekend het evangelie van God,
15 et dicens: “Impletum est tempus,
en zeggend: «De tijd is vervuld,
et appropinquavit regnum Dei;
en het rijk van God is nabij gekomen;
paenitemini et credite evangelio ”.
doet boete en gelooft in het evangelie.»

16 Et praeteriens secus mare Galilaeae
En gaande langs het meer van Galilea
vidit Simonem et Andream fratrem Simonis
zag hij Simon en Anreas, een broer van Simon,
mittentes in mare;
die (hun netten) uitwierpen in het meer;
erant enim piscatores.
ze waren immers vissers.

17 Et dixit eis Iesus:
En Jezus zei hun:
“Venite post me,
«Kom met mij mee,
et faciam vos fieri piscatores hominum ”.
en ik zal jullie vissers van mensen maken.»
18 Et protinus, relictis retibus,
En terstond, na hun netten verlaten te hebben,
secuti sunt eum.
volgden zij hem.

19 Et progressus pusillum
En wat verder gegaan
vidit Iacobum Zebedaei
zag hij Jacobus, (de zoon) van Zebedeus,
et Ioannem fratrem eius,
En Johannes, zijn broer,
et ipsos in navi componentes retia,
terwijl zij in het schip de netten boetten,
20 et statim vocavit illos.
en terstond riep hij hen.

Et, relicto patre suo Zebedaeo in navi
En. met achterlating van hun vader Zebedeus op het schip
cum mercennariis, abierunt post eum.
met de knechten, gingen zij hem achterna.

21 Et ingrediuntur Capharnaum.
En ze komen Kafarnaüm binnen.
Et statim sabbatis ingressus synagogam docebat.
En terstond ging hij op sabbat de synagoge in en onderwees.
22 Et stupebant super doctrina eius:
En ze waren zeer verbaasd over zijn leer:
erat enim docens eos
hij was immers iemand die hen onderrichtte

quasi potestatem habens
als iemand die gezag heeft,
et non sicut scribae.
en niet zoals de schriftgeleerden.

23 Et statim erat in synagoga eorum
En meteen was daar in hun synagoge
homo in spiritu immundo; et exclamavit
een man met een onreine geest; en hij riep,
24 dicens: “Quid nobis et tibi,
zeggende: «Wat is er tussen ons en u,
Iesu Nazarene?
Jezus van Nazareth?
Venisti perdere nos?
Ben je gekomen om ons in het verderf te storten?
Scio qui sis: Sanctus Dei ”.
Ik weet wie je bent: de Heilige van God.»

25 Et comminatus est ei Iesus dicens:
En Jezus sprak hem streng toe, zeggend:
“Obmutesce et exi de homine! ”.
»Hou je mond en ga uit de man.»

26 Et discerpens eum spiritus immundus
En de onreine geest deed hem stuiptrekken
et exclamans voce magna exivit ab eo.
en roepende met luide stem ging hij van hem uit.

27 Et mirati sunt omnes,
En allen hebben zich verwonderd,
ita ut conquirerent inter se dicentes:
zozeer dat ze de koppen bij elkaar staken en zeiden:
“Quidnam est hoc?
«Wat is hier toch a an de hand?
Doctrina nova cum potestate;
Een nieuwe leer, met gezag;
et spiritibus immundis imperat,
en de onreine geesten beveelt hij,
et oboediunt ei ”.
en ze gehoorzamen hem.»

28 Et processit rumor eius statim
En er ging een roep van hem uit, terstond,
ubique in omnem regionem Galilaeae.
overal, in het hele gebied van Galilea.

29 Et protinus egredientes de synagoga
En terstond uit de synagoge gaande
venerunt in domum Simonis et Andreae
kwamen ze in het huis van Simon en Andreas,
cum Iacobo et Ioanne.
met Jacobus en Johannes.

30 Socrus autem Simonis decumbebat febricitans;
De schoonmoeder van Simon lag echter met koorts te bed;
et statim dicunt ei de illa.
en terstond spraken ze hem over haar.

31 Et accedens elevavit eam
En toetredend richtte hij haar op,
apprehensa manu;
terwijl hij haar bij de hand pakte;
et dimisit eam febris,
en de koorts verliet haar,
et ministrabat eis.
en ze bediende hen.

32 Vespere autem facto,
Toen het nu avond was geworden,
cum occidisset sol,
toen de zon was ondergegaan,
afferebant ad eum omnes male habentes
brachten ze hem allen die een kwaal hadden
et daemonia habentes;
en van geesten bezeten waren;
33 et erat omnis civitas congregata ad ianuam.
En de hele stad was verzameld bij de deur.

34 Et curavit multos,
En hij genas velen
qui vexabantur variis languoribus,
die gekweld werden door allerlei kwalen,
et daemonia multa eiecit
en veel geesten dreef hij uit,
et non sinebat loqui daemonia,
en hij liet niet toe dat de demonen spraken,
quoniam sciebant eum.
omdat ze hem kenden.

35 Et diluculo valde mane surgens
En in de morgenschemering, zeer vroeg, opstaand
egressus est et abiit
is hij (het huis) uit gegaan en weggegaan
in desertum locum
naar een eenzame plaats,
ibique orabat.
en daar bad hij.
36 Et persecutus est eum Simon
En Simon heeft hem gevolgd,
et qui cum illo erant;
en degenen die met hem waren;
37 et cum invenissent eum,
en toen ze hem gevonden hadden,
dixerunt ei: “Omnes quaerunt te!”.
zeiden ze hem: «Allen zoeken u».

38 Et ait illis: “Eamus alibi in proximos vicos,
En hij zei hun: «Laten we naar de nabijgelegen dorpen gaan,
ut et ibi praedicem: ad hoc enim veni”.
Opdat ik ook daar verkondig: daartoe ben ik immers gekomen».
39 Et venit praedicans in synagogis eorum
En hij ging, prekend in hun synagogen
per omnem Galilaeam et daemonia eiciens.
in heel Galilea, terwijl hij de boze geesten uitdreef.

40 Et venit ad eum leprosus
En er kwam een melaatse naar hem toe,
deprecans eum et genu flectens
die hem smeekte en voor hem knielde
et dicens ei: “Si vis, potes me mundare”.
en zei: ‘Als u wilt, kunt u me reinigen».
41 Et misertus extendens manum suam tetigit eum
En, medelijdend, zijn hand uitstrekkend, raakte hij hem aan
et ait illi: “Volo, mundare!”;
en zei hem: «Ik wil, word rein!»;
42 et statim discessit ab eo lepra,
En terstond verdween de lepra bij hem,
et mundatus est.
en werd hij gereinigd.

43 Et infremuit in eum
En hij sprak ernstig tegen hem
statimque eiecit illum
en terstond liet hij hem gaan
44 et dicit ei: “Vide,
en hij zei hem: «Zie toe,
nemini quidquam dixeris;
aan niemand moet je iets zeggen;
sed vade, ostende te sacerdoti
maar ga heen, laat je zien aan de priester
et offer pro emundatione tua,
en breng het offer voor je reiniging,
quae praecepit Moyses,
dat Mozes heeft voorgeschreven,
in testimonium illis”.
tot een getuigenis voor hen

45 At ille egressus
Maar toen hij was weggegaan
coepit praedicare multum
begon hij (alles) rond te bazuinen
et diffamare sermonem,
en het verhaal te verspreiden,
ita ut iam non posset manifesto in civitatem introire,
zodat hij (Jezus) niet openlijk een stad in kon gaan,
sed foris in desertis locis erat;
maar buiten, op eenzame plaatsen was;
et conveniebant ad eum undique.
en ze kwamen naar hem toe van alle kanten.

Hoofdstuk 2
1 Et iterum intravit Capharnaum post dies,
E weer ging hij Kafarnaüm binnen, na enkele dagen,
et auditum est quod in domo esset.
en men hoorde dat hij thuis was.
Et convenerunt multi,
En ze kwamen bijeen, velen,
ita ut non amplius caperentur
zo dat er niet meer bij konden,
neque ad ianuam,
zelfs niet voor de deur,
et loquebatur eis verbum.
en hij vertelde hun het woord.
3 Et veniunt ferentes ad eum paralyticum,
En ze kwamen ter wijl ze bij hem brachten
paralyticum,,
een verlamde,
qui a quattuor portabatur.
die door vier (mannen) werd gedrsagen.

4 Et cum non possent offerre eum illi
En omdat ze hem niet bij hem konden brengen
prae turba,
vanwege de menigte,
nudaverunt tectum,
maakten ze een opening in het dak,
ubi erat,
waar hij was,
et perfodientes,
en na een gat gemaakt te hebben
summittunt grabatum
laten ze de slaapmat zakken
in quo paralyticus iacebat.
waarop de verlsamde lag.

5 Cum vidisset autem Iesus fidem illorum,
Toen Jezus nu hun geloof gezien had
ait paralytico:
zei hij tegen de verlamde:
“Fili, dimittuntur peccata tua”.
«Mijn zoon, uw zonden wirden u vergeven.»

6 Erant autem illic quidam de scribis
Daar waren echter sommigen van de schrifgeleerden
sedentes et cogitantes in cordibus suis:
die daar zaten en in hun harten dsachten:
7 “Quid hic sic loquitur?
«Wat voor iets zegt hij hier?
Blasphemat!
Hij lastert (God)!
Quis potest dimittere peccata
Wie kan zonden vergeven
nisi solus Deus? ”.
tenzij God alleen?»

8 Quo statim cognito Iesus spiritu suo
Toen Jezus terstond merkte in zijn geest
quia sic cogitarent intra se,
dat ze zo dachten onderling,
dicit illis: “Quid ista cogitatis
zei hij hun: «Waarom denkt u zo
in cordibus vestris?
in uw harten?
9 Quid est facilius,
Wat is gemakkelijker,
dicere paralytico:
te zeggen tegen de verlamde:
“Dimittuntur peccata tua”, an dicere:
‘Uw zonden worden u vergeven’, of zeggen:
“Surge et tolle grabatum tuum et ambula”? ‘Sta op, en neem uw slaapmat op, en ga heen’?
10 Ut autem sciatis
Opdat jullie echter weten
quia potestatem habet Filius hominis
dat de mensenzoon de macht heeft
in terra dimittendi peccata:
op aarde om zonden te vergeven – ait paralytico – – hij zei tegen de verlamde –
11 Tibi dico: Surge,
‘Ik zeg je: Sta op,
tolle grabatum tuum
neem je slaapmat op
et vade in domum tuam”.
en ga naar je huis».

12 Et surrexit
En hij stond op
et protinus sublato grabato
en na terstind zijn slaapmat opgepakt te hebben
abiit coram omnibus,
vertrok hij, in aanwezigheid van allen,
ita ut admirarentur omnes
zodat allen zich verbaasden
et glorificarent Deum dicentes:
en God verheerlijkten, zeggend:
“Numquam sic vidimus!”.
«Nog nooit hebben we zoiets gezien.»

13 Et egressus est rursus ad mare;
En hij ging terug naar het meer;
omnisque turba veniebat ad eum,
en de hele menigte kwam naar hem,
et docebat eos.
en hij onderwees hen.

14 Et cum praeteriret,
En toern hij voorbij ging
vidit Levin Alphaei
zag hij Levi, (de zoon) van Alfeüs,
sedentem ad teloneum
zittend bij het tolhuis,
et ait illi: “Sequere me”.
en hij zei hem: ‘Volg mij.’
Et surgens secutus est eum.
En hij stond op en volgde hem

15 Et factum est,
En het gebeurde,
cum accumberet in domo illius,
toen hij (aan tafel) aanlag in diens huis,
et multi publicani et peccatores simul
en veel tollenaars en zondaren tegelijk
discumbebant cum Iesu et discipulis eius;
aanlagen met Jezus en met zijn leerlingen;
erant enim multi et sequebantur eum.
ze waren immers met velen en ze volgden hem.

16 Et scribae pharisaeorum,
En schriftgeleerden van de Farizeërs,
videntes quia manducaret cum peccatoribus
ziende dat hij at met zondaars
et publicanis, dicebant discipulis eius:
en tollenaars, zeiden tegen zijn leerlingen:
“Quare cum publicanis
‘Waarom eet hij met tollenaars
et peccatoribus manducat?”.
en zondaars?

17 Et Iesus hoc audito ait illis:
En Jezus zei hun, toen hij dit hoorde:
“Non necesse habent sani medicum,
‘Gezonden hebben een dokter niet nodig.
sed qui male habent;
maar wel die een ziekte hebben;
non veni vocare iustos
ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen
sed peccatores.”
maar zondaars.’

18 Et erant discipuli Ioannis
En er waren leelingen van Johannes
et pharisaei ieiunantes.
en Farizeërs die vastten.
Et veniunt et dicunt illi:
En ze komen en zeggen hem:
“Cur discipuli Ioannis
‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes
et discipuli pharisaeorum ieiunant,
en leerlingen van de Farizeërs,
tui autem discipuli non ieiunant?”.
maar uw leerlingen vasten niet?»

19 Et ait illis Iesus:
En Jezus zei hun :
“Numquid possunt convivae nuptiarum,
‘Kunnen de bruiloftsgasten soms,
quamdiu sponsus cum illis est, ieiunare?
zo lang de brudegom bij hen is, vasten ?
Quanto tempore habent secum sponsum,
Zo lang ze de bruidegom bij zich hebben
non possunt ieiunare;
kunnen ze niet vasten;
20 venient autem dies,
maar de dagen zullen komen
cum auferetur ab eis sponsus,
dat de bruidegom van hen is weggenomen,
et tunc ieiunabunt in illa die.
en dan zullen ze vasten, op die dag….’

Terug