Go to content Go to navigation Go to search

De zondvloed · Jun 15, 12:54 AM by Ad van den Ende

Genesis 6

5 Ἰδὼν δὲ κύριος ὁ θεὸς
De Heer God, ziende
ὅτι ἐπληθύνθησαν αἱ κακίαι
dat ze toenamen, de slechtigheden
τῶν ἀνθρώπων ἐπὶ τῆς γῆς
van de mensen op de aarde,
καὶ πᾶς τις διανοεῖται ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ
en dat iedereen overlegt in zijn hart
ἐπιμελῶς ἐπὶ τὰ πονηρὰ πάσας τὰς ἡμέρας,
bedacht op het slechte alle dagen,
6 καὶ ἐνεθυμήθη ὁ θεὸς ὅτι ἐποίησεν
en God kreeg spijt dat hij maakte
τὸν ἄνθρωπον ἐπὶ τῆς γῆς,
de mens op de aarde,
καὶ διενοήθη.
en hij nam een besluit.

7 καὶ εἶπεν ὁ θεός
En God zei:
Ἀπαλείψω τὸν ἄνθρωπον, ὃν ἐποίησα,
‘Ik zal uitwissen de mens, die ik maakte,
ἀπὸ προσώπου τῆς γῆς
van het aangezicht van de aarde.’

8 Νωε δὲ εὗρεν χάριν ἐναντίον κυρίου τοῦ θεοῦ.
Maar Noach vond genade bij de Heer God.
13 καὶ εἶπεν ὁ θεὸς πρὸς Νωε
En God zei tegen Noach:
Καιρὸς παντὸς ἀνθρώπου ἥκει ἐναντίον μου,
‘Het beslissend moment van elke mens is gekomen voor mij,
ὅτι ἐπλήσθη ἡ γῆ ἀδικίας ἀπ᾽ αὐτῶν,
want vervuld is de aarde van de ongerechtigheden van hen,
καὶ ἰδοὺ ἐγὼ καταφθείρω αὐτοὺς καὶ τὴν γῆν.
en zie, ik verdelg hen en de aarde.

14 ποίησον οὖν σεαυτῷ κιβωτὸν ἐκ ξύλων τετραγώνων·
Maak daarom voor jezelf een ark van timmerhout;
17 ἐγὼ δὲ ἰδοὺ ἐπάγω τὸν κατακλυσμὸν ὕδωρ ἐπὶ τὴν γῆν
Want zie, ik breng de watervloed over de aarde
καταφθεῖραι πᾶσαν σάρκα,
om te verdelgen alle vlees,
ἐν ᾗ ἐστιν πνεῦμα ζωῆς,
waarin is een levensgeest
ὑποκάτω τοῦ οὐρανοῦ·
onder de hemel.
καὶ ὅσα ἐὰν ᾖ ἐπὶ τῆς γῆς, τελευτήσει.
En alles wat is op de aarde zal sterven.

18 καὶ στήσω τὴν διαθήκην μου πρὸς σέ·
En ik zal sluiten het verbond van mij met jou;
εἰσελεύσῃ δὲ εἰς τὴν κιβωτόν,
Je zal binnengaan in de ark,
σὺ καὶ οἱ υἱοί σου καὶ ἡ γυνή σου
jij en je zonen en je vrouw
καὶ αἱ γυναῖκες τῶν υἱῶν σου μετὰ σοῦ.
en de vrouwen van je zonen met jou.

19 καὶ ἀπὸ πάντων τῶν κτηνῶν
En van alle vee
καὶ ἀπὸ πάντων τῶν ἑρπετῶν
en van alle kruipende dieren
καὶ ἀπὸ πάντων τῶν θηρίων
en van alle wilde dieren
καὶ ἀπὸ πάσης σαρκός,
en van al wat leeft,
δύο δύο ἀπὸ πάντων εἰσάξεις εἰς τὴν κιβωτόν,
telkens twee van alle zul je brengen in de ark
ἵνα τρέφῃς μετὰ σεαυτοῦ·
opdat je het in leven houdt met jou;
ἄρσεν καὶ θῆλυ ἔσονται.
mannelijk en vrouwelijk zullen ze zijn.

22 καὶ ἐποίησεν Νωε πάντα,
En Noach deed alles;
ὅσα ἐνετείλατο αὐτῷ κύριος ὁ θεός,
wat hem opdroeg de Heer God,
οὕτως ἐποίησεν.
zo deed hij.

7
10 καὶ ἐγένετο μετὰ τὰς ἑπτὰ ἡμέρας
En het gebeurde na zeven dagen
καὶ τὸ ὕδωρ τοῦ κατακλυσμοῦ ἐγένετο ἐπὶ τῆς γῆς.
en het water van de zondvloed kwam over de aarde
12 καὶ ἐγένετο ὁ ὑετὸς ἐπὶ τῆς γῆς
En de slagregen kwam over de aarde,
τεσσαράκοντα ἡμέρας καὶ τεσσαράκοντα νύκτας. veertig dagen en veertig nachten.

19 τὸ δὲ ὕδωρ ἐπεκράτει σφόδρα σφοδρῶς ἐπὶ τῆς γῆς
Het water nam toe, bovenmate, op de aarde,
καὶ ἐπεκάλυψεν πάντα τὰ ὄρη τὰ ὑψηλά,
en bedekte alle hoge bergen,
ἃ ἦν ὑποκάτω τοῦ οὐρανοῦ·
die er waren onder de hemel.

21 καὶ ἀπέθανεν πᾶσα σὰρξ
En om het leven kwam al het levende
κινουμένη ἐπὶ τῆς γῆς
dat zich beweegt op de aarde
τῶν πετεινῶν καὶ τῶν κτηνῶν καὶ τῶν θηρίων
van de vogels en de runderen en de wilde dieren,
καὶ πᾶν ἑρπετὸν κινούμενον ἐπὶ τῆς γῆς
en al het kruipende dat zich beweegt op de aarde
καὶ πᾶς ἄνθρωπος.
en elke mens.

22 καὶ πάντα, ὅσα ἔχει πνοὴν ζωῆς,
En alles, wat de levensadem heeft,
καὶ πᾶς, ὃς ἦν ἐπὶ τῆς ξηρᾶς, ἀπέθανεν.
en alles, wat op het droge was, stierf,
καὶ κατελείφθη μόνος Νωε
en alleen Noach bleef over,
καὶ οἱ μετ᾽ αὐτοῦ ἐν τῇ κιβωτῷ.
en die bij hem waren in de ark.
24 καὶ ὑψώθη τὸ ὕδωρ ἐπὶ τῆς γῆς
En het water had de overhand op de aarde
ἡμέρας ἑκατὸν πεντήκοντα.
honderdvijftig dagen.

8
1 Καὶ ἐμνήσθη ὁ θεὸς τοῦ Νωε
En God herinnerde zich Noach
καὶ πάντων τῶν θηρίων
en alle wilde dieren
καὶ πάντων τῶν κτηνῶν
en alle runderen
καὶ πάντων τῶν πετεινῶν
en alle vogels
καὶ πάντων τῶν ἑρπετῶν,
en alle kruipende dieren
ὅσα ἦν μετ᾽ αὐτοῦ ἐν τῇ κιβωτῷ,
die waren bij hem in de ark.

καὶ ἐπήγαγεν ὁ θεὸς πνεῦμα ἐπὶ τὴν γῆν,
En God deed een wind strijken over de aarde
καὶ ἐκόπασεν τὸ ὕδωρ,
en het water zakte.

4 καὶ ἐκάθισεν ἡ κιβωτὸς ἐν μηνὶ τῷ ἑβδόμῳ,
En de ark bleef steken in de zevende maand,
ἑβδόμῃ καὶ εἰκάδι τοῦ μηνός,
op de zeven-en-twinrigste (dag) van de maand
ἐπὶ τὰ ὄρη τὰ Αραρατ.
op de berg de Ararat.

6 καὶ ἐγένετο μετὰ τεσσαράκοντα ἡμέρας
En het gebeurde na veertig dagen,
ἠνέῳξεν Νωε τὴν θυρίδα τῆς κιβωτοῦ, ἣν ἐποίησεν,
dat Noach opende het venster van de ark, dat hij maakte,
7 καὶ ἀπέστειλεν τὸν κόρακα
en hij stuurde de raaf weg
τοῦ ἰδεῖν εἰ κεκόπακεν τὸ ὕδωρ·
om te zien of het water was gedaald.
καὶ ἐξελθὼν οὐχ ὑπέστρεψεν
En weggegaan keerde hij niet terug
ἕως τοῦ ξηρανθῆναι τὸ ὕδωρ ἀπὸ τῆς γῆς.
tot het water van de aarde was opgedroogd.

8 καὶ ἀπέστειλεν τὴν περιστερὰν ὀπίσω αὐτοῦ
En hij stuurde de duif achter hem aan,
ἰδεῖν εἰ κεκόπακεν τὸ ὕδωρ
om te zien of het water gedaald was
ἀπὸ προσώπου τῆς γῆς·
voor het aangezicht van de aarde.

9 καὶ οὐχ εὑροῦσα ἡ περιστερὰ
En omdat de duif niet vond
ἀνάπαυσιν τοῖς ποσὶν αὐτῆς
een rustplaats voor haar pootjes
ὑπέστρεψεν πρὸς αὐτὸν εἰς τὴν κιβωτόν,
keerde ze terug naar hem in de ark,
ὅτι ὕδωρ ἦν ἐπὶ παντὶ προσώπῳ πάσης τῆς γῆς,
omdat er water was op heel het aangezicht van de aarde,
καὶ ἐκτείνας τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἔλαβεν αὐτὴν
en zijn hand uitstekend pakte hij haar,
καὶ εἰσήγαγεν αὐτὴν πρὸς ἑαυτὸν εἰς τὴν κιβωτόν.
en bracht haar tot zich in de ark.

10 καὶ ἐπισχὼν ἔτι ἡμέρας ἑπτὰ ἑτέρας
En wachtend, nog zeven andere dagen,
πάλιν ἐξαπέστειλεν τὴν περιστερὰν ἐκ τῆς κιβωτοῦ·
zond hij weer de duif weg ut de ark;
11 καὶ ἀνέστρεψεν πρὸς αὐτὸν ἡ περιστερὰ τὸ πρὸς ἑσπέραν
en de duif kerde terug naar hem tegen de avond
καὶ εἶχεν φύλλον ἐλαίας κάρφος ἐν τῷ στόματι αὐτῆς,
en ze had een vers blad van de olijvenboom in haar snavel,
καὶ ἔγνω Νωε ὅτι κεκόπακεν τὸ ὕδωρ ἀπὸ τῆς γῆς.
en Noach begreep dat het water was afgenomen van de aarde.

20 καὶ ᾠκοδόμησεν Νωε θυσιαστήριον τῷ θεῷ
En Noach bouwde een altaar voor God,
21 καὶ ὠσφράνθη κύριος ὁ θεὸς ὀσμὴν εὐωδίας,
En de Heer God rook de lieflijke geur
καὶ εἶπεν κύριος ὁ θεὸς διανοηθείς
en de Heer God zei, weldoordacht:
Οὐ προσθήσω ἔτι τοῦ καταράσασθαι τὴν γῆν
‘Niet meer zal ik het aandoen de aarde te vervloeken
διὰ τὰ ἔργα τῶν ἀνθρώπων,
vanwege de daden van de mensen,
ὅτι ἔγκειται ἡ διάνοια τοῦ ἀνθρώπου
omdat de geaardheid van de mens gericht is,
ἐπιμελῶς ἐπὶ τὰ πονηρὰ ἐκ νεότητος·
met heel zijn hart, op het kwaad, vanaf zijn jeugd;
οὐ προσθήσω οὖν ἔτι πατάξαι
niet weer zal ik aandoen het te slaan,
πᾶσαν σάρκα ζῶσαν, καθὼς ἐποίησα.
elk levend lichaam, zoals ik deed.

12 καὶ εἶπεν κύριος ὁ θεὸς πρὸς Νωε
En de Heer God zei tegen Noach:
Τοῦτο τὸ σημεῖον τῆς διαθήκης,
‘Dit is het teken van het verbond
ὃ ἐγὼ δίδωμι ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ ὑμῶν
dat ik geef tussen mij en u
καὶ ἀνὰ μέσον πάσης ψυχῆς ζώσης,
en aan ieder levend wezen
ἥ ἐστιν μεθ᾽ ὑμῶν, εἰς γενεὰς αἰωνίους· dat onder u is, tot alle komende geslachten:
13 τὸ τόξον μου τίθημι ἐν τῇ νεφέλῃ,
mijn boog plaats ik in de wolk(en),
καὶ ἔσται εἰς σημεῖον διαθήκης
en hij zal zijn tot het teken van het verbond
ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ τῆς γῆς.
tussen mij en de aarde.’

20 Καὶ ἤρξατο Νωε ἄνθρωπος γεωργὸς γῆς
En Noach was de eerste mens als bewerker van het land,
καὶ ἐφύτευσεν ἀμπελῶνα.
en hij legde een wijngaard aan.
21 καὶ ἔπιεν ἐκ τοῦ οἴνου
En hij dronk van de wijn,
καὶ ἐμεθύσθη καὶ ἐγυμνώθη ἐν τῷ οἴκῳ αὐτοῦ.
en werd dronken, en ontblootte zich in zijn tent.

22 καὶ εἶδεν Χαμ ὁ πατὴρ Χανααν
En Cham zag het, de vader van Kanaän,
τὴν γύμνωσιν τοῦ πατρὸς αὐτοῦ
de naaktheid van zijn vader,
καὶ ἐξελθὼν ἀνήγγειλεν
en, naar buiten gegaan, vertelde hij het
τοῖς δυσὶν ἀδελφοῖς αὐτοῦ ἔξω.
aan zijn twee broers buiten.

23 καὶ λαβόντες Σημ καὶ Ιαφεθ τὸ ἱμάτιον
En Sem en Jafet, het kleed nemend
ἐπέθεντο ἐπὶ τὰ δύο νῶτα αὐτῶν
legden dat op hun beider rug
καὶ ἐπορεύθησαν ὀπισθοφανῶς
en gingen binnen, achteruitlopend,
καὶ συνεκάλυψαν τὴν γύμνωσιν τοῦ πατρὸς αὐτῶν,
en ze dekten toe de naaktheid van hun vader,
καὶ τὸ πρόσωπον αὐτῶν ὀπισθοφανές,
en hun aangezicht was afgewend,
καὶ τὴν γύμνωσιν τοῦ πατρὸς αὐτῶν οὐκ εἶδον.
en de naaktheid van hun vader zagen ze niet.

24 ἐξένηψεν δὲ Νωε ἀπὸ τοῦ οἴνου
Noach ontwaakte uit zijn roes,
καὶ ἔγνω ὅσα ἐποίησεν αὐτῷ ὁ υἱὸς αὐτοῦ ὁ νεώτερος,
en vernam wat hem aangedaan had zijn jongste zoon,
25 καὶ εἶπεν Ἐπικατάρατος Χανααν·
en hij zei: ‘Vervloekt zij Kanaän;
παῖς οἰκέτης ἔσται τοῖς ἀδελφοῖς αὐτοῦ.
een slaaf zal hij zijn voor zijn broers.’
26 καὶ εἶπεν Εὐλογητὸς κύριος ὁ θεὸς τοῦ Σημ,
En hij zei: ‘Gezegend zij de Heer God van Sem,
καὶ ἔσται Χανααν παῖς αὐτοῦ.
en Kanaän zal zijn slaaf zijn.
27 πλατύναι ὁ θεὸς τῷ Ιαφεθ
Moge God ruimte geven aan Jafet
καὶ κατοικησάτω ἐν τοῖς οἴκοις τοῦ Σημ,
en hem laten wonen in de tenten van Sem,
καὶ γενηθήτω Χανααν παῖς αὐτῶν.
en Kanaän zij hun tot knecht.’

Terug
Volgende

Op dit artikel kan niet gereageerd worden.